vrijdag 10 februari 2012

De woorden van anderen zitten me in de weg. Ik las in de afgelopen twee weken drie boeken. Geweldige boeken. Maar de woorden zitten me in de weg.
Dus daarom weer niks.
Hoe je de koe melkt
Heb ik nooit begrepen
Maar hoe je de weg weet
Hoe je de tram neemt
Hoe je de vreemde
Voor vijand verstaat
Hoe je een vriendelijk
Voorstel verwart
Voor een vlak gelaat

Hoe je het kalf helpt
Heb ik nooit geweten
Zo met zo'n handschoen
Maar hoe je het bed vindt
Vrolijk vocht verwarrend
Voor voedsel want dat
Ging nog in die tijd
Vroeger, toen

Hoe men de kip vangt
Ben ik nooit verrgeten
Haar van kroost verlossend
Nee dan de liefde
Genoeg om te zien
dat genoeg er eigenlijk
Misschien gewoon niet is

Maar hoe men eerst angstig
Dan kalm het verleden
Maar links liggen laat
Maakt niet uit, doe maar
Weg, dat was ik stiekem
Toch niet echt zelf
Ik had genoeg
Aan donker en zwart
En hoe je de koe melkt
Heb ik toch nooit begrepen

woensdag 8 februari 2012

De wereld leek een beetje kleiner,
iedereen sprak elkaar en groette iedereen.
Er werden vragen gesteld uit oprechte interesse, niet uit nieuwsgierigheid.
Wanneer de een honger had, gaf de ander hem te eten.
Onbewust zou dat de volgende keer andersom gaan.
Of niet andersom, maar daar waren ze zich niet van bewust.
Niemand vergat iets en deed altijd alles op tijd.

zaterdag 4 februari 2012

Sneeuw


De vissen in de vijver zijn bevroren en je woorden bevriezen tot kleine kristalletjes in de lucht. Ik vroeg me af hoe we eruit zouden zien als we nu bevroren als vissen. Dan zouden mijn vingers in de jouwe versmelten tot ijs en dan zouden mijn ogen voor altijd gelukkig zijn. En zou jij verstillen met lieve woorden op je lippen, gevangen in mijn sjaal.  
Ik ving sneeuwvlokjes met mijn tong, ze smaakten naar de groentesoep die mijn oma vroeger voor me maakte als ik bij haar kwam logeren. Toen ik je dat vertelde krulden je mondhoeken zachtjes naar boven en stak je je tong naar buiten om te proeven. Je zei dat mijn oma vast geen pittige dame was. Ik gooide een sneeuwbal in je nek.
Soms ben ik bang dat ik van je hou, zelfs hier zo in de kou. 

donderdag 2 februari 2012


Zondagnacht. Ze wilde de zonsopkomst zien. Niet dat ze die nog nooit gezien had, meerdere malen zelfs, alleen nog nooit met hem. Nog nooit met iemand samen eigenlijk. Soms kwam ze hier om de zon te zien opkomen. Op een van de nachten dat ze weer eens niet in slaap kon komen. Op sommige dagen was ze simpelweg niet moe. Vaak besloot ze dan maar iets nuttigs te doen, haar kamer opruimen bijvoorbeeld. Of de was opvouwen. Dan hoefde ze dat over dag niet meer. Had ze lekker veel tijd over. Dat was één van de dingen die hij in de loop van de avond geleerd had. Hij bewonderde dit in haar, hoe ze iets naars als slapeloosheid bijna als een zegen kon laten lijken.

In andere nachten besloot ze rond te dwalen. Zo zacht als het ging sloop ze haar huis uit en liep ze een willekeurige kant op, net zo lang tot ze geen zin meer had. Of tot ze eindelijk slaperig begon te worden. Vaak kwam dat moment niet. Dus dan keek ze de zonsopkomst.
Vandaag was zo’n dag. Ze had niet eens te moeite genomen om in bed te gaan liggen, ze had toch al door dat het niks ging worden. Maar vandaag was anders. In plaats van op de gok een richting te kiezen besloot ze hem te bellen. Hij nam op, natuurlijk nam hij op. Hij sliep nog niet, te veel gedachten probeerden nog zijn aandacht op te eisen. Ze vroeg hem een plek uit te kiezen en haar daar te ontmoeten. Hij ging akkoord, waarom ook niet? Wat had hij te verliezen?

Ze groetten elkaar en begonnen te lopen. Waarheen wisten ze geen van beiden. Ze vroeg wat er in zijn rugzak zak. ‘Niks bijzonders’ was zijn antwoord. Daar nam ze maar genoegen mee. Langzaam begon ze te vertellen. Over haar kat, haar baantje, haar kamer. De boeken die ze las, liedjes die ze luisterde, series die ze keek. Bij bijna alles wat ze zei moest hij glimlachen, een wereld ging voor hem open. Hij had behoefte aan een andere wereld dan de zijn. De hare voldeed. Hij zei niet veel, het luisteren beviel hem.
Naarmate zowel de wandeling als de nacht vorderde werd ze persoonlijker. Haar slapeloosheid kwam ter sprake, haar twijfels, ergernissen, onzekerheden. Dingen waar ze vrijwel nooit met iemand over sprak. Sterker nog, die ze nog nooit zo inhoudelijk aan iemand had verteld. Maar nu kwam het eruit. Ze bleef er kalm onder, maar het kwam met bakken tegelijk.

Ze vroeg of hij de zonsopkomst met haar wilde delen. Hij accepteerde, op voorwaarde dat het op een grasveld zou zijn. Hij hield van gras, de geur, de kleur, het gevoel. Ze wist nog wel een plekje, dus dat was geregeld. Terwijl ze verder praatten liepen ze erheen. Het was een grasveld zoals er vele zijn geweest en er nog vele zullen zijn, maar het was geschikt.

De rugzak ging open. Tevoorschijn kwamen een kleed, een fles water en een pak roze koeken. Ze moest lachen, ze had niet verwacht dat hij zo goed voorbereid zou zijn. Ze gingen zitten, het begon te regenen.  Regen met druppels waar je niet echt nat van wordt. Tegen de tijd dat ze beide twee roze koeken op hadden en de fles water half leeg was had hij het gevoel dat hij haar door en door kende. Alsof hun gesprekken al jaren gaande waren.

De zon begon eindelijk op te komen en het meisje wat zo graag met hem de zonsopkomst wilde bewonderen lag slapend op zijn buik. Het deed hem goed. Voor het eerst in tijden was het vredig in zijn hoofd. Rustig was het niet, vele gedachten vlogen nog door zijn hoofd. Maar ze waren niet belangrijk. Hij dacht niet aan de toekomst, aan wat er van zijn leven moest komen, wat voor werk hij zou gaan doen, met wie hij zijn leven zou willen doorbrengen. Aan wat er van hem verwacht werd en wat er zou gebeuren als dat hem niet lukte. Niet eens aan welke boodschappen hij morgen nog moest kopen.
Hij dacht ook niet aan het verleden. Aan wat hij eigenlijk had moeten zeggen in zijn laatste gesprek, aan dat hij niet overal  te laat had moeten komen. Niet aan spijt, schaamde, gemis. De jeugd en onschuld die hij verloren had.

In plaats daarvan dacht hij aan zijn navel en dat het zonde was dat die niet kon praten. Dan had hij nu fijne woorden in haar oor kunnen fluisteren. Hij dacht aan de opkomende zon en de motregen, het gras wat in zijn nek kriebelde en de bomen verderop. Hij dacht aan de wankele muur die hij verderop zag staan en vroeg zich af hoe die daar gekomen zijn. Hij wist het niet. Hij wist ook niet of hij er nog ooit achter zou komen. En dat beviel hem wel.

maandag 30 januari 2012

Ik

Ik ga slapen wanneer ik dat wil
en heb feestjes op een doordeweekse dag.
Ik rook wiet
en slaap met jongens waar jij de naam niet van weet.
Ik verknip mijn t-shirts
en scheur mijn panty´s.
Ik loop op hoge hakken
en draag mijn jas open in de winter.
Ik heb tatoeages
en piercings over mijn hele lichaam.
Ik eet heel ongezond
en boer luid.

Ja, mamma, als ik zou doen wat ik wou, dan zou het niet komen met me.
Haar haren deinden zachtjes op en neer, net als de golven van de immens grote oceaan.


Vijfhonderd maal sorry, maar dit is alles voor vandaag.


zaterdag 28 januari 2012

Kleine woorden


Vliegensvlug vloog ik naar je toe, je stond op het midden van de straat en was omringd door vrouwen met buggy’s en brullende kinderen. Je was veranderd in de paar dagen dat ik je niet had gezien, je levendige blik had plaats gemaakt voor grauwe ogen. De wereld gleed heel langzaam van me af toen je een vluchtige begroeting in mijn oren slingerde, zachte woorden met een beverige stem. Ik droeg de rode jas die je altijd zo mooi vond, je zei niks. Ik zocht naar de handen die je snel in je zakken begroef toen ze de mijne raakte, ik zocht naar je lippen die je snel achter je wangen verstopte toen ik ze vond. We krioelden door de straatjes die ineens zo onbekend leken opzoek naar warme koffie en mooie woorden die niet zo leeg leken. Kwijt.

Ik weet het, lief. Ik weet waarom jij nooit met iemand gelukkig zal zijn. Het spijt me-


woensdag 25 januari 2012

Een verhaal over lepels

Veertig jaar geleden was zijn verzameling begonnen met de eerste lepel. Het was de lepel die hij het liefst poetste. Hij was klein, maar lang. Simpel zilver. De verzameling besloeg zevenendertig verschillende lepels. Allemaal uniek. Acht jaar geleden was hij gestopt met verzamelen. Niet omdat hij wilde, maar omdat hij gedwongen werd. Ze waren allemaal bijzonder, ze hadden allemaal hun eigen verhaal. Hij wist alles nog, tot op het kleinste detail. Iedereen die hij kende uit de tijd toen zijn lepelverzameling nog groeide, was uit zijn leven verdwenen. Niemand kon zijn leven meer nieuw binnenstappen, omdat niemand de verzameling snapte. De enkeling die bij hem over de vloer kwam vond de man maar raar. Al die lepels aan de muur, de lepels die hij koesterde alsof het zijn kinderen waren. Niemand durfde er naar te vragen, al zou de man zijn verhalen maar wat graag vertellen. Er gingen verhalen over hem rond, stuk voor stuk gelogen, in het dorp waar hij acht jaar geleden was gaan wonen. Verspreid door de huishoudster, een jong meisje genaamd Hilda, die hij nodig had omdat zijn benen hem nauwelijks nog konden dragen. Zijn bijnaam was de lepelman en iedereen was bang voor hem.
Op de dag dat de man het leven verlaten zou, had hij het kleine boekje afgeschreven. Hij zat in zijn huiskamer in de grote zachte stoel te kijken naar zijn verzameling en te wachten op de dood. Hij wist dat die er aan kwam, hij was er klaar voor. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij graag wilde. Hilda was aan het werk in de keuken en was zich van geen kwaad bewust. "Hilda." De man riep het meisje met zijn krakerige stem. Het meisje kwam uit de keuken en ging tegenover hem staan. Bang voor wat komen ging, hij praatte bijna nooit tegen haar. Haar eigen verhalen hadden haar bang gemaakt. De man wees op het krukje wat naast zijn stoel stond. Hilda ging zitten. "Hilda, ik weet dat je graag verhalen vertelt. Ik mag dan oud zijn, ik heb nog goede oren." Het meisje schrok, ze had niet geweten dat de man wist dat ze verhalen had rondverteld. Hij glimlachte naar haar. "Ik verwijt je niks, meisje. Ik snap het best. Ik zou alleen willen dat je voortaan de juiste verhalen vertelt." Hij sloot even zijn ogen. "Zie je dat boekje op tafel?" Hilda knikte, al had de man zijn ogen nog dicht en kon hij dat niet zien. "Ik wil graag dat je me de eerste bladzijden voorleest." De man hield zijn ogen nog steeds gesloten toen Hilda opstond en het kleine blauwe boekje van tafel pakte. Ze ging weer zitten en sloeg het open. Een geur die alleen oude boeken kunnen hebben kwam haar tegemoet vanaf de vergeelde pagina's.
Ze begon te lezen.
"Het was een maandagochtend." Haar stem bibberde. "Nee." Zei de man. "Je moet alles lezen." Hilda slikte en begon opnieuw. "Voor Willem, voor al je dromen. Liefs Johanna." De man glimlachte bij het horen van haar naam. "Het was een maandagochtend. We lagen in bed, Johanna en ik. Ze sliep nog toen ik de gordijnen opende en het zonlicht de hotelkamer binnenliet. We ontmoetten elkaar de avond er voor, in een klein pianocafeetje in de voor mij onbekende stad. Ook voor Johanna was de stad onbekend en dat gegeven bracht ons samen. Het meisje was me meteen opgevallen met haar blonde lange haren. Ze was iets jonger dan ik, misschien pas net dertig. Ze voelde zich al oud maar ze droeg de jaren prachtig. Na een dronken avond in het cafeetje eindigden we in mijn bed, in het goedkope hotel. Ik klom terug in bed en keek hoe de zonnestralen op haar naakte huid schenen en haar blonde haren in goud veranderden." Het meisje stopte even met lezen om haar keel te schrapen. De man had nog steeds zijn ogen gesloten. "Ik weet niet hoe lang het duurde voor ze wakker werd, maar toen ze wakker werd zag ik weer hoe haar wangen kuiltjes maakten als ze glimlachte. 'Goedemorgen.' Haar eerste woorden van de dag. Ik kon niks zeggen, verblind door liefde. Pas na een tijdje staren kon ik woorden vormen. We praatten over de avond er voor en hoe alles een droom had geleken. Ik was blij dat ze hetzelfde voelde.
Ik bestelde pannenkoeken als ontbijt. We zaten nog in bed met het bord tussen ons in. 'Dit kan ik zo niet eten.' Zei Johanna. 'We hebben geen bestek.' 'Johanna, we hebben messen en vorken.' Zei ik. Ik keek naar die kuiltjes in haar wangen toen ze zei dat ze messen en vorken niet mee vond tellen. 'Ik heb een lepel nodig.' Ik verklaarde haar voor gek. 'Wie eet er nou pannenkoeken met een lepel.' Zei ik. Ze lachte me weer toe. 'Lepels zijn zo veel leuker, rond en mooi en doen nooit iemand pijn. Behalve als je heel hard slaat.' Ik denk dat ik gekeken moet hebben alsof ze was veranderd in iets raars, omdat ze me uitlachte. 'Ik meen het Willem, ik wil een lepel.' 'Goed, ik ga er een halen bij de receptie.' Ik wilde al opstaan toen ze zei dat ze dat te gênant vond. 'Zoals je zei Willem, wie eet er nou pannenkoeken met een lepel.' 'Dan moeten we maar een gaan kopen.' Ik zag in dat ze niet anders wilde dan pannenkoeken eten met een lepel. Dat rare kleine feitje zorgde er voor dat ik nog verliefder werd. In een klein winkeltje op de hoek kochten we een lepel. Niet groot, maar lang. Simpel zilver. Terug in het kleine kamertje aten we om de beurt van de inmiddels koude pannenkoeken met de lepel. Haar lange blonde haren vielen op het bed als ze voorover boog om een hap te nemen met de lepel en nog nooit had ik zo veel liefde gevoeld voor een vrouw."
Hilda stopte met lezen. "In dat boekje staan nog zesendertig verhalen van hetzelfde soort, Hilda. Ik wil dat je die verhalen voortaan vertelt." Hilda keek naar de man die nu zijn ogen weer geopend had en naar haar keek. Ze durfde niks te zeggen. "Ik wil niet dat Johanna ooit vergeten word. Johanna en haar rare liefde voor lepels. We hebben niet vaak iets gegeten met iets anders dan een lepel." Hij glimlachte bij de herinnering. "Maar ik hoop dat je dat nog wel zult lezen." Daarmee was voor de man het gesprek voorbij. Hij had zijn verhalen overgedragen en kon nu zelf verdergaan. Hij hoopte dat Johanna zou zijn waar hij heen ging.
Toen de man die avond stierf las Hilda in het boek met de zevenendertig verhalen over lepels. Ze las hoe Willem en Johanna in elke stad waar ze kwamen een lepel kochten. Ze las ook over de dood van Johanna. Ze huilde de nacht voorbij en toen ze die ochtend Willem dood vond in zijn stoel huilde ze nog een beetje meer. Ze huilde omdat ze hem nu nooit meer kon vertellen hoe bijzonder ze hem vond. Om het goed te maken vertelde ze nieuwe verhalen. Het boek werd uitgebracht en wereldwijd gelezen. De lepelverzameling eindigde in het museum van het dorp. Een trekpleister voor toeristen. Willem was nog steeds de lepelman en dat zou hij ook voor altijd blijven.

oke sorry dit was lang en stom maar ik moest het toch goedmaken met iets enzo. jjooee

dinsdag 24 januari 2012

Sproetjescreërende zonnestralen

De wind waaide door haar rossige haren en door het duingras. Ze liet haar kleurrijke vlieger op en rende, rende zoals nooit tevoren. De wind leek door haar lichaam heen te jagen, alles in haar weg te blazen. Ze voelde hoe de wind een glimlach op haar gezicht toverde. Ze struikelde over haar zandkasteel en liet zich op de grond vallen, terwijl ze de greep op haar vlieger verloor. Ze bleef staren en zag de vlieger steeds kleiner worden. Steeds hoger geraken, steeds verder weg van de kwade en boze beschaving. Een laatste glimp en zelfs het puntje was verdwenen in de blauw met wit vermengde lucht. Ze wilde die vlieger zijn. Langzaam verdwijnen en voor altijd rond blijven zweven. Zacht ademend lag ze daar, het duingras prikte in haar zij. Zo zou ze best lang zo kunnen blijven liggen. Misschien wel maanden, nee jaren. Ze zou vergroeien met de natuur, een onderdeel ervan worden. 
"Hé, daar heb je haar! De vierde zandkorrel van links!" Niet dat iemand haar kwijt zou zijn of zou willen zoeken. Nee, ze zou best vredig en onopvallend een onderdeel van de natuur kunnen zijn. Zo puur, zo wonderschoon. Mits je geen brandnetel werd. Hadden mensen de ongerepte duinen lief? Hielden ze net zoals zij van de grote woeste zee, met haar wilde golven? Of zagen ze het als een iets. Slechts als een iets, niet belangrijk voor hun aanwezigheid hier op aarde. Maakte de natuur de mensen? Of zagen zij het als een minderwaardig iets in hun leven. Iets wat erbij hoorde om hun bestaan te verheerlijken? Ze wist het niet. Ze kon de mens nooit zo ontdekken. Ze dacht dat men zich verheven voelde boven de natuur, terwijl zij de natuur boven haar bestaan stelde. Lastig.
Ze sloot haar ogen genoot van de sproetjescreërende zonnestralen.

maandag 23 januari 2012

Noorwegen

de zon scheen, maar echt warm was het niet.
Jij pakte mijn hand en kneep er zachtjes in.
We liepen samen de oprit af en begonnen ons eerste wandeling van ons eerste vakantie samen. Noorwegen.

We liepen een uur, zonder iets te zeggen. Unaniem werd er richting gekozen.

'Wij hebben veel meegemaakt, hé?' zei jij.
Ik keek op naar jou en verwerkte je woorden na die lange stilte.
Ik keek je aan en knikte, met op mijn gezicht een zachte glimlach.

'Ook nare dingen' zei jij, nu op een andere, serieuze toon.
Ik knikte en wende mijn blik af naar mijn zwarte sandalen en de steentjes van het asfalt, die onder mijn voeten verdwenen. Het bleef een tijdje stil.

Weer kneep je zachtjes in mijn hand en je blik verplaatste zich van het asfalt naar mij. Jij keek me aan en ik keek terug.
'Wij kwamen altijd weer terug bij elkaar' zei jij en je stopte met lopen.
Ik stopte ook en draaide me naar jou toe.
Jij draaide je naar mij. Ik pakte jou andere hand ook vast en keek je in de ogen. Jij keek terug en zo stonden we daar een tijdje. Midden op een weg in Noorwegen.

Je lachte naar me en daarom lachte ik ook.
'Broodje?' vroeg jij.
'Ja.' zei ik waarop ik mijn hand uit die van jou wurmde en je leidde naar het gras, naast het asfalt.

We gingen in het gras zitten en ik zocht in mijn tas naar een zakje met brood.
'Kaas goed?' vraag ik.
'Ja' zeg jij.

We keken allebei naar de overkant van de weg waar een paar hoge bomen stonden. Ik sloot mijn ogen na een tijdje, totdat ik je lippen op mijn wang voelde. Er verscheen een lach op mijn gezicht waarna ik mijn ogen opende en ik naar jou keek. Jij lachte ook.
Leuk, vond ik dat.

zaterdag 21 januari 2012

Wat zich allemaal in de grotten in mijn hoofd verstopt


Ik droomde dat ik in een reusachtige bieb was met hele mooie oude boeken en metershoge ladders om naar deze toe te klimmen. Het rook er een beetje muf en er werd klassieke muziek gespeeld. Ik was aan het lezen in een raamkozijn en ineens stond Henk Schiffmacher voor mijn neus, hij vroeg ‘hallo, zal ik je tatoeëren?’. En ik vond het prima. We liepen naar een soort van binnentuin en ik trok mijn shirt uit. Ineens was er een zoemend geluid en hij dipte de naald in de inkt. Henk tekende langzaam en pijnlijk een sliert aan golven onder mijn borst, mijn hele lichaam rond. Golven die leken op haaienvinnen. Voortaan zou ik altijd zwemmen, zonder kopje onder te gaan. Altijd blijven drijven. 
In een andere droom was ik in een enorm grote hoge kerk, die ik al eerder zag toen ik ooit over Rusland droomde. Het was een soort van rare grijze bunker met een hele spitse toren, opgebouwd uit kubussen en rechthoeken. Ik stapte er binnen en verbaasde me om alle pracht en praal. Er hingen hele moderne schilderijen van de kruistocht van Jezus en overal waren donkerrode kleuren te zien. Een man zette een doornenkrans op mijn hoofd en langzaam werd ik ook donkerrood. De stralen bloed die van mijn lichaam afliepen leken op kaarsvet. Ik slenterde verder door de kerk en had hele gewone gesprekken met hele gewone mensen die zich niet leken te verbazen over mijn langzame leeglopen. In mijn oren hoorde ik een koor zingen, op een angstaanjagende ijzige manier. Toen ik de kerk uit rende gleed al het rood van me af en voelde ik met stukken lichter.  Ik keek nog een keer om naar de kerk en zag hoe een vrouw zich van de torenspits afwierp, iedereen leefde verder en negeerde de vrouw, zoals ze eerder ook mijn bebloede lichaam negeerden. Langzaam liep ik op de vrouw af en ik zag dat ze dood was, dood zonder bloed. Ik schoof haar jas opzij om te kijken of haar hart niet nog stiekem klopte. Toen ik haar jas opende zag ik dat ze naakt was, betekend met striemen en bedekt met leren riemen. In haar lichaam stond gebrand 'ik zal altijd bij je blijven, altijd blijven drijven'. En toen schrok ik wakker.


Dit zijn mijn dromen van vandaag en gister en eigenlijk weet ik niet zo goed wat ik ermee aan moet. De droom over Henk Schiffmacher vond ik heel leuk maar die van vandaag vond ik enorm naar. En nu heb ik nog steeds een beetje een naar gevoel, bluh. En ik weet niet hoe het komt dat ik mijn dromen de laatste dagen zo goed onthoud, dat doe ik normaal gesproken namelijk nooit. 

donderdag 19 januari 2012

IJspaleis

Toen we die ochtend de deur uitstapten was de hele wereld van ijs. Van de bloemkolen in de kisten voor de groenteboer op de hoek tot het zand tussen de stoeptegels. De lantaarnpalen glommen en voorzichtige druppels liepen dankzij de uitgestraalde warmte naar beneden. De hele wereld was een grote ijssculptuur en iedereen leek het normaal te vinden.
De straten werden gevuld door mensen die verscholen in hun dagelijkse routine met grote passen van bushalte naar bushalte renden. Zonder uit te glijden of zelfs maar het evenwicht te verliezen.
Misschien hadden wij een winterslaap gehouden en  hadden we zo lang geslapen dat we gemist hadden wat er met de wereld gebeurd was. We hadden duizend jaar met onze ogen dicht in bed gelegen terwijl de hele wereld verder draaide en zoveel veranderde als iets veranderen kon.
Ik wist dat jij hetzelfde dacht, want de wereld was opeens raar en over rare dingen hadden we altijd dezelfde gedachtes gehad. We praatten niet, maar liepen langs de heuvel naar het park terwijl jij zacht je hand in die van mij schoof.

Pas zeven maanden en zeven dagen later begon de wereld met smelten. Eerst maar zachtjes, het waren alleen de plekken die beschenen werden door de warmte van autolampen, door lantaarnpalen. Onder de dikke laag die de wereld deze maanden verhoogd had, kwam in het park de groene waas van het gras weer tevoorschijn. Geen grijze witte wazen meer, maar wereld zoals een wereld zijn kon.
Na nachten van druppels langs ons slaapkamerraam, verdwijnende lagen ijs op het dak, ging het smelten steeds sneller. Van kleine stroompjes over de straten, naar grote watervallen, tot zeeën die alles in hun golven met zich meenamen.
En weer hield je mijn hand vast, net zoals je deed toen we die eerste dag langs de heuvel naar beneden liepen. Grote stromen kwamen door de ramen van het huis naar binnen. We dreven, we zwommen, we verdwenen.

Zwanenzang


Mijn knieholtes worden er warm van
En ik krijg kippenvel onder mijn oksels

Laten we elkaar toedichten
Met homo-erotische poëzie
Spetter spieter spater
Wie haat is een hater