De wind waaide door haar rossige haren en door het duingras. Ze liet haar kleurrijke vlieger op en rende, rende zoals nooit tevoren. De wind leek door haar lichaam heen te jagen, alles in haar weg te blazen. Ze voelde hoe de wind een glimlach op haar gezicht toverde. Ze struikelde over haar zandkasteel en liet zich op de grond vallen, terwijl ze de greep op haar vlieger verloor. Ze bleef staren en zag de vlieger steeds kleiner worden. Steeds hoger geraken, steeds verder weg van de kwade en boze beschaving. Een laatste glimp en zelfs het puntje was verdwenen in de blauw met wit vermengde lucht. Ze wilde die vlieger zijn. Langzaam verdwijnen en voor altijd rond blijven zweven. Zacht ademend lag ze daar, het duingras prikte in haar zij. Zo zou ze best lang zo kunnen blijven liggen. Misschien wel maanden, nee jaren. Ze zou vergroeien met de natuur, een onderdeel ervan worden.
"Hé, daar heb je haar! De vierde zandkorrel van links!" Niet dat iemand haar kwijt zou zijn of zou willen zoeken. Nee, ze zou best vredig en onopvallend een onderdeel van de natuur kunnen zijn. Zo puur, zo wonderschoon. Mits je geen brandnetel werd. Hadden mensen de ongerepte duinen lief? Hielden ze net zoals zij van de grote woeste zee, met haar wilde golven? Of zagen ze het als een iets. Slechts als een iets, niet belangrijk voor hun aanwezigheid hier op aarde. Maakte de natuur de mensen? Of zagen zij het als een minderwaardig iets in hun leven. Iets wat erbij hoorde om hun bestaan te verheerlijken? Ze wist het niet. Ze kon de mens nooit zo ontdekken. Ze dacht dat men zich verheven voelde boven de natuur, terwijl zij de natuur boven haar bestaan stelde. Lastig.
Ze sloot haar ogen genoot van de sproetjescreërende zonnestralen.
Posts tonen met het label tamara. Alle posts tonen
Posts tonen met het label tamara. Alle posts tonen
dinsdag 24 januari 2012
zondag 25 december 2011
Ik leef nog.
In mijn gedachten ben ik nog nooit zo gelukkig geweest. Het is fijn om met een constante glimlach op je gezicht te lopen. Om even verloren te raken in het geluk. Dit is dus pure fictie.
Ze wist dat ze niet verder kon vallen. Haar bodemloze put had waarschijnlijk toch een bodem gekregen, een van drijfzand. De bodemloze bodem had ze bereikt. Levensmoe stond ze daar, met haar rug gebogen en haar ogen te neer geslagen. Ze probeerde haar grijze massa aan het werk te zetten om een manier te vinden om een "Eureka" momentje te bedenken. Zodat ze een trap kon bouwen of kon veranderen in een helikopter. Haar grijze massa besloot alleen negatieve gedachten door te laten. Kon de knoop in haar hersens maar ontvouwen en de realiteit onder ogen zien zoals die ook werkelijk was. De realiteit was niet zo vreselijk als ze dacht, werkelijk niet. Ze had een zwarte bril op (roze bril verliefd, zwart dus niet snap je oké?) waardoor ze alleen maar doem kon denken. Ze keek omhoog en zag een puntje met blauw. De blauwe lucht. Af en toe kwam er een wit schapenwolkje voorbij drijven. De zon lachte haar toe. Waarom lachte de zon haar wel toe, maar het leven niet? Ze zuchtte. Ze zuchtte de diepste zucht die haar oren ooit hadden opgemerkt. Gillen had geen zin, net zo min als een regendans zin had om regen te krijgen. Niemand zou haar horen, niemand zou haar klanken des levens horen. Zouden mensen überhaupt van haar bestaan af weten? Zouden ze aan haar denken, zouden ze haar missen? Ze wist het niet. Ze wist weinig. Het onderwijsniveau in een put was ook vrij laag, moest ze toegeven. Ze ging zitten op het vochtige gele zand en zag een groen puntje. Misschien was dit groene puntje wel het begin van een prachtige bloem die betere tijden aankondigde. Misschien wel. Misschien ook niet. De tijd zal het leren.
Ik kan geen einde maken dus dat was het.
Ik wens jullie allemaal een hele fijne kerst.
Het spijt me dat ik al twee weken niet heb geschreven, ik had het echt ontzettend druk.
Ik wens jullie allemaal een hele fijne kerst.
Het spijt me dat ik al twee weken niet heb geschreven, ik had het echt ontzettend druk.
Ik hoop dat jullie me vergeven.
Daniëlle en Manou, gaan jullie maandag naar MNMC? Doe maar wel ja.
Dag!
Daniëlle en Manou, gaan jullie maandag naar MNMC? Doe maar wel ja.
Dag!
dinsdag 6 december 2011
Berend botje ging uit varen
Ze kon wel oceanen vullen met de tranen die ze huilde. Ze dacht dat ik het niet zag, maar niets was minder waar. Een paar keer heb ik je proberen te laten praten, maar je weigerde. Telkens als ik een steen uit je onbeklimbare toren - met slotgracht en krokodillen - haalde, plaatste je er meteen vier bij. Ik heb altijd al in je toren willen kijken. De krokodillen met mijn lef en liefde verslaan. Mijn spierballen waren vergelijkbaar met satestokjes, helaas.
Misschien liet ik je de oceaan wel vullen met je tranen, dan konden we samen een bootje kopen en je eigen tranenzee bevaren. Je zou verscholen in mijn armen kunnen zitten, kijkend naar alle slechte herinneringen die je tranen hebben meegevoerd naar de grote boze tranenzee. Je zou lachen naar elke herinnering die je ooit pijn heeft gedaan. De herinneringen zouden hulpeloos toekijken vanuit de golven, smekend om een plekje in je gedachten. Zwaaiend naar al die drenkelingen zouden we verder varen. Eenmaal aan land gekomen zou je een stap zetten. Een reis van duizend kilometer begon met een stap. Die stap zou je zetten terwijl ik zachtjes in je hand kneep. We zouden samen stappen zetten naar je toren, waar je de krokodillen zou weghalen met een glimp van je glimlach. De brug zou over de slotgracht vallen, als toegang tot je toren.
___________________
Het is niet zo lang. Daarom sluit ik af met een elfje. Twee.
druppels,
letters werden
onleesbaar. de inkt
vervaagde, net als de
herinnering
ze
wilde dat
niemand haar verdriet
zag, zo was ze
kogelvrij
Misschien liet ik je de oceaan wel vullen met je tranen, dan konden we samen een bootje kopen en je eigen tranenzee bevaren. Je zou verscholen in mijn armen kunnen zitten, kijkend naar alle slechte herinneringen die je tranen hebben meegevoerd naar de grote boze tranenzee. Je zou lachen naar elke herinnering die je ooit pijn heeft gedaan. De herinneringen zouden hulpeloos toekijken vanuit de golven, smekend om een plekje in je gedachten. Zwaaiend naar al die drenkelingen zouden we verder varen. Eenmaal aan land gekomen zou je een stap zetten. Een reis van duizend kilometer begon met een stap. Die stap zou je zetten terwijl ik zachtjes in je hand kneep. We zouden samen stappen zetten naar je toren, waar je de krokodillen zou weghalen met een glimp van je glimlach. De brug zou over de slotgracht vallen, als toegang tot je toren.
___________________
Het is niet zo lang. Daarom sluit ik af met een elfje. Twee.
druppels,
letters werden
onleesbaar. de inkt
vervaagde, net als de
herinnering
ze
wilde dat
niemand haar verdriet
zag, zo was ze
kogelvrij
vrijdag 2 december 2011
Een Sam en Nick Collaboration
Er was eens een jongen. Hij heette Nick. Ik vind hem wel een stekeltjes persoon. Dan was er ook nog een meisje. Ze heette Sam. Ik vind haar wel een roodharig persoon.
Nick en Sam woonden samen. In een prachtig huis. Ik dacht altijd dat het huis in Amsterdam stond, maar ik weet niet hoe anderen daar over denken. Het was wel altijd heel modern in mijn hoofd. Het huis.
Het is wel leuk hoe het in ieders hoofd toch weer anders is.
Het eerste wat in me op komt, zijn flamingo's, als ik denk aan het huis.
Gek, als ik aan het huis denk, denk ik aan.. ehm.. een hele grote tuin met heel veel bomen. In mijn hoofd was de tuin echt oneindig. In mijn hoofd ook.
In mijn hoofd, dat klinkt wel gek he, alsof het in je hoofd zit. Dat is het ook want het bestaat niet echt. Maar het klinkt alsof het echt in je hoofd gebouwd is. Een tuin in je hoofd. [niet in je hart dat is stom]
Met bomen die tot de hemel groeiden en ik wou dat ik er in kon klimmen en alles kon bekijken. Ik zou wel eens in het huis zelf willen lopen. En dat iedereen daar dan ook echt was.
THE END
Nick en Sam woonden samen. In een prachtig huis. Ik dacht altijd dat het huis in Amsterdam stond, maar ik weet niet hoe anderen daar over denken. Het was wel altijd heel modern in mijn hoofd. Het huis.
Het is wel leuk hoe het in ieders hoofd toch weer anders is.
Het eerste wat in me op komt, zijn flamingo's, als ik denk aan het huis.
Gek, als ik aan het huis denk, denk ik aan.. ehm.. een hele grote tuin met heel veel bomen. In mijn hoofd was de tuin echt oneindig. In mijn hoofd ook.
In mijn hoofd, dat klinkt wel gek he, alsof het in je hoofd zit. Dat is het ook want het bestaat niet echt. Maar het klinkt alsof het echt in je hoofd gebouwd is. Een tuin in je hoofd. [niet in je hart dat is stom]
Met bomen die tot de hemel groeiden en ik wou dat ik er in kon klimmen en alles kon bekijken. Ik zou wel eens in het huis zelf willen lopen. En dat iedereen daar dan ook echt was.
THE END
woensdag 23 november 2011
Geluk
Hallo oude vriend,
ik dacht dat ik je al lang geleden verloren had. We speelden verstoppertje, maar ik kon je nergens vinden. Maanden heb ik naar je gezocht, in de hoop je te vinden. Waarschijnlijk speelde je dit spelletje vaker, het was een onmogelijke opgave. Een paar weken geleden zag ik je zitten. Verstopt, verscholen. Het leek wel alsof je niet gevonden wilde worden. Toch vond ik je.
Joepie. Inspiratie van een dood paard.
ik dacht dat ik je al lang geleden verloren had. We speelden verstoppertje, maar ik kon je nergens vinden. Maanden heb ik naar je gezocht, in de hoop je te vinden. Waarschijnlijk speelde je dit spelletje vaker, het was een onmogelijke opgave. Een paar weken geleden zag ik je zitten. Verstopt, verscholen. Het leek wel alsof je niet gevonden wilde worden. Toch vond ik je.
Joepie. Inspiratie van een dood paard.
donderdag 17 november 2011
De eerste paar zinnen schreef ik dinsdag, telt dat?
Wat zou ik graag in een bootje willen varen, jij en ik. Varen over de eindeloze grachten en verloren raken in het besef van tijd. Roeien tot onze armen pijn doen om vervolgens over het water te dobberen alsof we door het niets worden omgeven. Alleen wij tweeën. Het enige wat op mijn netvlies gegrift zou staan zijn de verfijnde bewegingen die je maakt, je warrige haren en je ogen. De spiegel van de ziel, zoals men wel een zegt. Eigenlijk maakt het me niet zoveel uit wat men zegt. Het enige wat telde waren de seconden. Tik, tak, tik, tak. Ze gleden voorbij alsof het niks uitmaakte, alsof een seconde geen verschil kon maken. Elke seconde maakte het leven weer anders, elke seconde kon een nieuwe wending betekenen.
Ik zag je staren in de leegte, je ogen probeerden contact met het verleden te maken. Of niet. Ik wist het eigenlijk niet. De ogen mochten wel de zogenaamde spiegel van de ziel zijn, ik zag het niet. Misschien was ik wel niet ervaren genoeg in het kijken van spiegels, ik vermeed ze liever. Toch leken die verfijnde bewegingen van je genoeg te zeggen. Misschien moest ik minder nadenken en meer genieten, iets wat ik mezelf vaker voornam.
Ik genoot ook. Ik genoot van het bij je zijn, van het geluid van je ademhaling. Van het zijn. Van het 'samen'. Van het 'wij'. Toch was er iets in mij wat niet kon genieten. Een stemmetje in mijn hoofd die zei dat het me eigenlijk niet gegund was. Maar toch genoot ik. Ergens. Een beetje. Als ik niet nadacht.
donderdag 10 november 2011
Improvisatie dinsdag deel III
druppels
gleden langs
haar bleke wangen
“ik kan het niet
alleen”
dat was het, adieu
gleden langs
haar bleke wangen
“ik kan het niet
alleen”
dat was het, adieu
woensdag 2 november 2011
Improv dinsdag deel III
Ik schrok wakker en knipperde tegen de felheid van het elektrische licht. Ik wist niet of het angstaanjagende geluid tot mijn droom behoorde, of dat het zich echt had afgespeeld. Ik opende mijn ogen. Nat, nieuw licht sijpelde onder de gordijnen door. De ochtend arriveerde en bracht de concrete wereld weer op de voorgrond. Ik bevond me op exact dezelfde plek als gisterenavond. Alleen in mijn bed. Toen ik voldoende kracht had verzameld, duwde ik me uit de rommel omhoog en ging staan, wankelde even, maar hervond toen mijn evenwicht. Ik strompelde naar de keuken en dronk een glas water. Ik voelde hoe het water door zijn keel gleed en in zijn maag belandde. Ik sloot zijn ogen en genoot van de koelte die het zijn lichaam bracht. Een blik op de klok liet hem weer in het heden leven.Ik haastte me in mijn kleren en keek in de inmiddels bevlekte spiegel. Mijn arm maakte ronde bewegingen over de spiegel, zodat mijn gezicht stukje bij beetje zichtbaarder werd. Ik schoot in mijn schoenen en trok de deur met veel gepiep en gekraak dicht.
Zo dat was het alweer, inspiratie van een pinda, zoals altijd.
Zo dat was het alweer, inspiratie van een pinda, zoals altijd.
woensdag 26 oktober 2011
Alweer een improvisatie dinsdag.
Het telefoonboek lag gesloten voor haar. Ze legde haar hand erop en bekeek haar lange, slanke vingers. Ze hoopte dat haar rechterhand haar vandaag iets moois zou geven. Haar hand verplaatste ze naar de rechterkant van het boek en ze gleed voorzichtig met haar duim over de pagina's. Heen en weer, zeven keer. Na de zevende keer sloeg het dikke boek met een plof open. "Ferwerdadiel", stond er aan de bovenkant van de bladzijde. Er ontsnapte een klein lachje toen ze de plaatsnaam las. Het was een relatief klein plaatsje, aan het aantal pagina's dat Ferwerdadiel in beslag nam te zien. Haar linkerhand legde ze over haar ogen, terwijl ze van haar rechterhand elke vinger tot een vuist maakte, behalve van haar wijsvinger. Die bleef als een stok rechtop staan. Ze cirkelde even met haar vinger boven de bladzijdes, in de hoop dat het haar vinger de juiste keuze liet maken. Ze liet haar vinger vallen, in de rechterbenedenhoek.
R. de Winter
De Winter. Ze hield van de winter. De winter bracht gezelligheid, misschien zou R. de Winter datzelfde gevoel geven. Ze pakte een gouden pen, die ze van haar oma had geërfd. Ook pakte ze een vel papier, gewoon een witte. Met lijntjes. Ze begon te schrijven, te schrijven over lege landschappen en volle steden. Lege blikken en volle gedachten. Ze schreef alles op wat in haar gedachten opkwam. Alles. Haar gedachten waren altijd vol met de raarste dingen, de raarste hersenspinsels ontstonden daar. Na een half uur keek ze op, omdat haar hand begon te zeuren. Ze telde de blaadjes, waar de inkt van haar gouden pen haar kronkelige handschrift op het papier had neergezet. Negen. Negen blaadjes.
De enveloppen lagen in het kleinste laatje van het dressoir. Haar dressoir bestond uit laatjes van dertig verschillende formaten, wat betekende dat er ook twintig laatjes in haar dressoir waren. Alles van waarde lag er in opgeborgen. Enveloppen hadden waarde, omdat ze daarmee de mooie dingen verstuurde. Postzegels verzamelde haar opa altijd, voor speciale gelegenheden gebruikte ze postzegels uit deze map. Het derde laatje van rechts, op de eerste rij was voor opa's postzegelverzameling bestemd. Ze pakte een postzegel met een kolibrie erop, een kleurrijke kolibrie. Het adres werd op de envelop geschreven, in het zelfde kronkelige handschrift waarmee ze de brief had geschreven.
De tocht naar de brievenbus was net zo inspirerend als een zak aardappels, meestal was dat geen goed teken. Met trillende vingers gooide ze de brief in de brievenbus, in het rechter gleufje. Haar brief zou langs een wirwar van machines en sorteer machines gaan, om vervolgens bij ene R. de Winter op de mat te belanden.
Met haar capuchon op en haar handen in haar zakken, liep ze terug, zich afvragend waarom ze soms zo impulsief was.
R. de Winter
De Winter. Ze hield van de winter. De winter bracht gezelligheid, misschien zou R. de Winter datzelfde gevoel geven. Ze pakte een gouden pen, die ze van haar oma had geërfd. Ook pakte ze een vel papier, gewoon een witte. Met lijntjes. Ze begon te schrijven, te schrijven over lege landschappen en volle steden. Lege blikken en volle gedachten. Ze schreef alles op wat in haar gedachten opkwam. Alles. Haar gedachten waren altijd vol met de raarste dingen, de raarste hersenspinsels ontstonden daar. Na een half uur keek ze op, omdat haar hand begon te zeuren. Ze telde de blaadjes, waar de inkt van haar gouden pen haar kronkelige handschrift op het papier had neergezet. Negen. Negen blaadjes.
De enveloppen lagen in het kleinste laatje van het dressoir. Haar dressoir bestond uit laatjes van dertig verschillende formaten, wat betekende dat er ook twintig laatjes in haar dressoir waren. Alles van waarde lag er in opgeborgen. Enveloppen hadden waarde, omdat ze daarmee de mooie dingen verstuurde. Postzegels verzamelde haar opa altijd, voor speciale gelegenheden gebruikte ze postzegels uit deze map. Het derde laatje van rechts, op de eerste rij was voor opa's postzegelverzameling bestemd. Ze pakte een postzegel met een kolibrie erop, een kleurrijke kolibrie. Het adres werd op de envelop geschreven, in het zelfde kronkelige handschrift waarmee ze de brief had geschreven.
De tocht naar de brievenbus was net zo inspirerend als een zak aardappels, meestal was dat geen goed teken. Met trillende vingers gooide ze de brief in de brievenbus, in het rechter gleufje. Haar brief zou langs een wirwar van machines en sorteer machines gaan, om vervolgens bij ene R. de Winter op de mat te belanden.
Met haar capuchon op en haar handen in haar zakken, liep ze terug, zich afvragend waarom ze soms zo impulsief was.
dinsdag 18 oktober 2011
Warmte
Elke avond bekruipt de duisternis me weer. Telkens verwonder ik me erover hoe snel het donker wordt, hoe snel de wereld aan het veranderen is. Verandering kan goed zijn, verandering kan ook laten denken. Denken aan momenten waarop de duisternis relevant was. Het doet me denken aan Kerst, aan lampjes in de boom. Aan sneeuwvlokjes en aan glühwein. Het doet me denken aan kaarsjes, cadeautjes en schaatsen. Handschoenen en mutsen om de je lichaamswarmte op peil te houden. Wintermaanden. Wintermaanden zijn geweldig. Elke winter hoor je mij weer klagen: "Wanneer zal het weer zomer worden?" en "Ik haat de winter.". Niks is minder waar. Ik hou van mensen die in een winterdepressie zitten, ik hou van sneeuwstormen en verkleumde mensen. Ik hou van knuffels, die hier indirect bij horen. Ik hou van boeken lezen tegenover de open haard, maar ook van sneeuwballen gevechten. Ik hou van warme wintermaanden, die eigenlijk best koud zijn.
En ik hou van opsommingen

Hier een foto van mij in de laatste zonnestralen, die ook aangenaam warm waren.
woensdag 12 oktober 2011
Omdat het in mijn gedachten nog dinsdag is
Daar lagen we, omringd door kietelende grassprietjes. We keken hoe de regen uit de hemel viel en onze kleren aan onze versteende lijven liet plakken. Elke eerste keer van de maand lagen we daar, het gras begon dood te worden op de plekken waar onze lichamen zichzelf neerlegden. Als het de eerste regendag van de maand was, stopten al onze bezigheden en werden we naar ons gras geleid. Zwijgend gingen we liggen, met onze armen en benen gespreid. De stilte zei niets, maar omvatte zoveel. Soms besloten onze handen elkaar te ontmoeten, terwijl we naar de lucht bleven kijken. Na precies 47 minuten stonden we op. Onze blikken kruisden elkaar niet, we liepen weg alsof 'wij' nooit bestaan had. Of we twee vreemdelingen in de herfst waren.
De eerste zonnestralen, de eerste sneeuwvlokjes. De eerste dag van de maand, de eerste gezamenlijke verjaardag in de maand. Eigenlijk vonden we altijd wel een excuus om daar te liggen.
Ik hield ervan hoe de grassprietjes in mijn eeuwig ontblote benen kriebelden. Ik hield ervan om zijn ademhaling te horen, zijn aanwezigheid te voelen. Ik hield van de eerste.
De eerste zonnestralen, de eerste sneeuwvlokjes. De eerste dag van de maand, de eerste gezamenlijke verjaardag in de maand. Eigenlijk vonden we altijd wel een excuus om daar te liggen.
Ik hield ervan hoe de grassprietjes in mijn eeuwig ontblote benen kriebelden. Ik hield ervan om zijn ademhaling te horen, zijn aanwezigheid te voelen. Ik hield van de eerste.
Je zult je waarschijnlijk afvragen wat die rare aap hier doet. Sinds ik momenteel op school zit en dat soort leuke dingen, is dit de enige foto die ik hier op mijn account heb. Toepasselijk? Nee. Maar dat maakt niets uit. Eigenlijk is het ook geen foto.
Welnu, ik ga weer aan het werk.
Welnu, ik ga weer aan het werk.
Doei.
dinsdag 4 oktober 2011
dinsdag 27 september 2011
Spiegel
Haar ogen waren naar de grond gericht. Nooit durfde ze me in mijn ogen aan te kijken. Tijdens stiltes zag ik haar twijfelen, twijfelen of ze mijn blik zou beantwoorden. Nog nooit had ze het werkelijk gedaan. Haar lichaamstaal zei me dat ze me niet vertrouwde, haar woorden spraken alsof ze nog nooit iemand zo had vertrouwd. Misschien waren haar woorden wel leugens, die ze als projectielen op mij afvuurde. Misschien had ze een lijst met antwoorden in haar hoofd die ze als een machine afspeelde, zonder eigenlijk besef te hebben van wat ze zei. Haar ogen waren naar de grond gericht, er was niets wat ik kon doen. Alles had ik al geprobeerd om haar in mijn armen te sluiten, om zich open te stellen. Het was alsof haar ogen de poort naar haar 'ik' waren. Zolang niemand ze kon zien, kon niemand naar haar reiken. Ze vergiste zich, tranen waren namelijk ook te zien als haar ogen te neer geslagen waren. Niet dat haar ogen vaak tranen vormden, waarschijnlijk liet ze dat niet toe.
Ik fascineerde me me over het feit hoe mensen zich van de buitenwereld konden afsluiten, hoe ontoerekeningsvatbaar ze konden worden. Opgesloten in hun eigen wereld, zonder enig besef van de mensen om hun heen. Soms leek het me wel fijn om weg te kunnen kruipen in een wereld, mijn eigen gecreëerde wereld. Maar dan keek ik naar haar, of liever gezegd, naar haar oogleden, en bedacht ik me dat ik niets liever wilde dan dat ze uit dat wereldje kroop. Ik sloeg mijn ogen neer.
Hij begreep me niet. Ik keek hem aan, terwijl hij zijn ogen te neer geslagen had. Altijd als ik me open stelde, sloot hij zich af. Ik probeerde hem met mooie, ware woorden uit zijn schulp te trekken, maar hij leek me niet te begrijpen. Hij viel stil en dacht na. Nadenken deed hij veel, ik wilde dat ik met een verrekijker in zijn hoofd kon kijken. Weten waarover zijn gedachten gingen, weten waarover hij zijn wereld liet gaan. Hij dacht waarschijnlijk dat hij zijn gevoelens kon verbergen door zijn gezicht af te wenden. Hij vergiste zich. Zijn hangende schouders en knokige knieën verraadden meer dan hij lief had. Zijn lichaam zei meer woorden dan zijn mond ooit zouden vormen. Maar ik leek zijn taal niet te spreken.
Ik fascineerde me over het feit hoe mensen zich volledig af konden sluiten. Het is net een gevangenis, waarin je wordt afgesloten van alles wat er om je heen gebeurde. Het leek me fijn om opgesloten te zitten, ik zou zelfs op water en brood kunnen leven. Maar dan keek ik naar hem, of liever gezegd, zijn oogleden. Ik bedacht me dat ik niets liever wilde dan zijn vrijlating. Ik sloeg mijn ogen neer.
En de foto van vandaag. Het is het huisje waar Gaudí in heeft gewoond, in Barçelona, Parc Guell. Waarom deze foto? Vandaag hadden we het over sprookjes tot leven brengen. Hoe een sprookje zich in het echte leven kan afspelen, zonder een sprookje te zijn. Heel raar en verwarrend allemaal, maar toen kregen we het dus over dit huisje. Op de foto lijkt het niet heel erg, maar in het echt was het echt net het gemberhuisje uit Hans en Grietje. (Hanzl en Gretl klinkt leuker).
zaterdag 24 september 2011
Improvisatie dinsdag.
Wie bepaalt er hier de realiteit? Misschien zijn wij wel een illusie, terwijl de realiteit ons en onze onvolmaaktheden bekijken. Misschien is er geen realiteit. Misschien is de wereld een grote zeepbel waarin we ons verstoppen voor de realiteit. Misschien is de realiteit nog angstaanjagender dan iemand zich ooit kan voorstellen. Misschien is er in de realiteit alleen maar fijne muziek met fijne mensen.
Misschien is mijn realiteit anders dan de jouwe. Misschien geloof ik in God, en is dat realistisch voor mij. Misschien geloof ik in het feit dat ik een complete mislukkeling ben, terwijl ik in jouw realiteit het toppunt van perfectie ben.
Waarom kunnen we niet allemaal in dezelfde realiteit geloven? Dan zouden we samen tree voor tree aan een beter bestaan bouwen. Iedereen zou kunnen bereiken wat hij of zij wilde en we zouden samen gelukkig zijn. We zouden in kringetjes zitten met zijn allen en liedjes zingen. We zouden een gigantisch kampvuur maken en daar alle slechte herinneringen ingooien waardoor het eeuwig zou branden.
Maar ik geloof in mijn eigen realiteit en jij in de jouwe.
Nu hoor ik een foto en zulks te posten. Helaas besloot ik net pas dat ik nu mijn stukje ging typen. Dit is dus een foto van mijn favoriete plekje van de wereld. Ik denk dat Marije en Margiet hem al wel eens gezien hebben. Ik verlang echt naar dat plekje en alles op dit moment.
Misschien is mijn realiteit anders dan de jouwe. Misschien geloof ik in God, en is dat realistisch voor mij. Misschien geloof ik in het feit dat ik een complete mislukkeling ben, terwijl ik in jouw realiteit het toppunt van perfectie ben.
Waarom kunnen we niet allemaal in dezelfde realiteit geloven? Dan zouden we samen tree voor tree aan een beter bestaan bouwen. Iedereen zou kunnen bereiken wat hij of zij wilde en we zouden samen gelukkig zijn. We zouden in kringetjes zitten met zijn allen en liedjes zingen. We zouden een gigantisch kampvuur maken en daar alle slechte herinneringen ingooien waardoor het eeuwig zou branden.
Maar ik geloof in mijn eigen realiteit en jij in de jouwe.
Nu hoor ik een foto en zulks te posten. Helaas besloot ik net pas dat ik nu mijn stukje ging typen. Dit is dus een foto van mijn favoriete plekje van de wereld. Ik denk dat Marije en Margiet hem al wel eens gezien hebben. Ik verlang echt naar dat plekje en alles op dit moment.
Het is in Italië, in Gravedona. Een plaatsje aan het Comomeer. Ik was vorig jaar met een vriendin en haar ouders mee op vakantie daarheen. Aan het eind van dit riviertje ligt een volgestouwd strand met allemaal dikke, gatgravende Duitsers en machomannen Italianen. We zagen dit plekje van bovenaf en hebben besloten erheen te gaan. Het was echt het prachtigste wat ik ooit heb gezien. Aan de zijkant had je stenen waar precies twee handdoeken konden liggen. In de linkeronderhoek zeg maar, kon je precies zitten met je rug tegen de stenen en je hoofd boven water. De andere kant op, wat niet op de foto staat, was een klein watervalletje. Als je aan de bovenkant van die waterval lag, stroomde het water onder je door waardoor je het niet heet kreeg en echt kon genieten van de zon. Ik mis het.
dinsdag 13 september 2011
Tranenzee
Hij huilt de hele tijd.
Zelfs als zich geen tranen vormen, verraden zijn ogen de pijnlijke leegte van iemand die vanbinnen huilt. Ik wil hem helpen, maar hij laat me niet dichtbij komen. Huilen doet hij alleen, weggekropen in de kronkelende gangen van zijn gedachten. Hij slaapt met zijn rug naar me toe, als een muur van vlees die de wereld buiten sluit. Hij praat tegen me met nietszeggende woorden, in lege, holle zinnen. Vroeger klonk er liefde door alles wat hij zei. Nu praat hij tegen me omdat het moet. Nu is alles wat hij zegt vlak en zonder enige betekenis.
Het verdriet is zo intens, zo immens dat hij er in zwelgt, er blind in zwemt zoals hij 's nachts zou doen in een woeste zee. Hij zwemt op tegen de hoge golven en komt niet vooruit. Elke dag wordt hij verder naar beneden gezogen, de diepte in. Weg van de oppervlakte. Weg van het leven. Weg van mij. Hij klampt zich vast aan het verlies. Ik wil zijn hand beetpakken, samen zwemmen naar de veilige kust. Om zijn wonden te helen, zijn pijn te verzachten, hem te helpen erbovenop te komen.
Maar hij strekt zijn hand niet naar me uit. In plaats daarvan deinst hij terug; hij doet het liever alleen. Hij geeft mij namelijk de schuld. Hij geeft zichzelf de schuld. En hij geeft mij de schuld.
Ik geef mezelf ook de schuld. Het meest neem ik het mezelf kwalijk. Ik wil dat hij stopt met huilen, stopt met verdrietig zijn, stopt met rouwen met elk stukje van zijn ziel.
Ik raak hem kwijt, wat ik zo hard had proberen te voorkomen door te doen wat ik deed en door te zeggen wat ik zei. Ditmaal zou ik hem niet verliezen aan een ander levend wezen. Ik zou hem verliezen aan zichzelf. Ik zag het gewoon voor me: hij zou verdrinken in de tranenzee. Hij zou naar beneden worden getrokken in de kille, grijze diepte en zijn leven nooit meer op kunnen pakken.
En het enige wat ik kon doen was toekijken vanaf de kust.
Zelfs als zich geen tranen vormen, verraden zijn ogen de pijnlijke leegte van iemand die vanbinnen huilt. Ik wil hem helpen, maar hij laat me niet dichtbij komen. Huilen doet hij alleen, weggekropen in de kronkelende gangen van zijn gedachten. Hij slaapt met zijn rug naar me toe, als een muur van vlees die de wereld buiten sluit. Hij praat tegen me met nietszeggende woorden, in lege, holle zinnen. Vroeger klonk er liefde door alles wat hij zei. Nu praat hij tegen me omdat het moet. Nu is alles wat hij zegt vlak en zonder enige betekenis.
Het verdriet is zo intens, zo immens dat hij er in zwelgt, er blind in zwemt zoals hij 's nachts zou doen in een woeste zee. Hij zwemt op tegen de hoge golven en komt niet vooruit. Elke dag wordt hij verder naar beneden gezogen, de diepte in. Weg van de oppervlakte. Weg van het leven. Weg van mij. Hij klampt zich vast aan het verlies. Ik wil zijn hand beetpakken, samen zwemmen naar de veilige kust. Om zijn wonden te helen, zijn pijn te verzachten, hem te helpen erbovenop te komen.
Maar hij strekt zijn hand niet naar me uit. In plaats daarvan deinst hij terug; hij doet het liever alleen. Hij geeft mij namelijk de schuld. Hij geeft zichzelf de schuld. En hij geeft mij de schuld.
Ik geef mezelf ook de schuld. Het meest neem ik het mezelf kwalijk. Ik wil dat hij stopt met huilen, stopt met verdrietig zijn, stopt met rouwen met elk stukje van zijn ziel.
Ik raak hem kwijt, wat ik zo hard had proberen te voorkomen door te doen wat ik deed en door te zeggen wat ik zei. Ditmaal zou ik hem niet verliezen aan een ander levend wezen. Ik zou hem verliezen aan zichzelf. Ik zag het gewoon voor me: hij zou verdrinken in de tranenzee. Hij zou naar beneden worden getrokken in de kille, grijze diepte en zijn leven nooit meer op kunnen pakken.
En het enige wat ik kon doen was toekijken vanaf de kust.
dinsdag 6 september 2011
Gelukkig zijn is fijn
Soms heb je van die momenten waarvan je op het moment zelf niet beseft dat het je gelukkig gaat maken. Op het moment zelf zit je in zak en as, omdat je de schoonheid van de gebeurtenis niet in kan zien. De dag, de dagen of de weken daarna begint de positieve kant van de gebeurtenis aan het licht te komen. Na enig nadenken bedenk je je dat diezelfde gebeurtenis eigenlijk een positieve uitwerking had.
Zaterdag bedacht het universum (of onze aangeschoten hoofden) dat we elkaar weer zouden tegenkomen die nacht. Na wat beschonken momenten, na een fles drank in de vorm van de toren van Pisa, was het moment daar. Onze ogen ontmoetten elkaar. Normaal zouden ze na 2 seconden weer de leegte in staren, denkend aan elkaar. Deze keer was het anders. 5, 6, misschien wel 7 seconden bleven onze blikken elkaar kruisen. Ik besloot een praatje met je te maken, om vervolgens in een gesprek over Charizard te komen met een kerel wiens naam mij nog steeds niet bekend is. Lachen, gezellig doen, praten en nog meer lachen. Mensen leren kennen die Pokémon Gold speelden, mensen leren kennen die absoluut geweldige krulletjes hadden.
Niet veel, of wel veel, later raakten onze lippen elkaar weer. Lang, lang geleden was het dat onze lippen elkaar voor het laatst raakten. Ik had vonken verwacht, vuurwerk gelukkig nieuwjaar en andere wensen die een nieuw leven in zouden leiden. Ik voelde vertrouwdheid, mijn hoofd liggend op jouw borst. Jouw hand woelend door mijn haren. Maar het vuurwerk ontbrak. Ik voelde me onzeker, niet wetend of dit voor jou eenmalig zou zijn. Onzeker, omdat voor mij ook het vuurwerk ontbrak, terwijl ik zo lang op dit moment had gewacht. Onzeker, klein en bang.
Maar we hadden beide geen spijt en ik wist dat deze zoen alles voor mij af zou sluiten. Ik was ontzettend gelukkig, wetend dat het eindelijk afgesloten zou zijn. Wetend dat ik niet meer dagelijks verlangens voor je zou voelen. Gelukkig. Ontzettend. Een goed gesprek. Nog gelukkiger.
Dat wou ik even kwijt.
Zaterdag bedacht het universum (of onze aangeschoten hoofden) dat we elkaar weer zouden tegenkomen die nacht. Na wat beschonken momenten, na een fles drank in de vorm van de toren van Pisa, was het moment daar. Onze ogen ontmoetten elkaar. Normaal zouden ze na 2 seconden weer de leegte in staren, denkend aan elkaar. Deze keer was het anders. 5, 6, misschien wel 7 seconden bleven onze blikken elkaar kruisen. Ik besloot een praatje met je te maken, om vervolgens in een gesprek over Charizard te komen met een kerel wiens naam mij nog steeds niet bekend is. Lachen, gezellig doen, praten en nog meer lachen. Mensen leren kennen die Pokémon Gold speelden, mensen leren kennen die absoluut geweldige krulletjes hadden.
Niet veel, of wel veel, later raakten onze lippen elkaar weer. Lang, lang geleden was het dat onze lippen elkaar voor het laatst raakten. Ik had vonken verwacht, vuurwerk gelukkig nieuwjaar en andere wensen die een nieuw leven in zouden leiden. Ik voelde vertrouwdheid, mijn hoofd liggend op jouw borst. Jouw hand woelend door mijn haren. Maar het vuurwerk ontbrak. Ik voelde me onzeker, niet wetend of dit voor jou eenmalig zou zijn. Onzeker, omdat voor mij ook het vuurwerk ontbrak, terwijl ik zo lang op dit moment had gewacht. Onzeker, klein en bang.
Maar we hadden beide geen spijt en ik wist dat deze zoen alles voor mij af zou sluiten. Ik was ontzettend gelukkig, wetend dat het eindelijk afgesloten zou zijn. Wetend dat ik niet meer dagelijks verlangens voor je zou voelen. Gelukkig. Ontzettend. Een goed gesprek. Nog gelukkiger.
Dat wou ik even kwijt.
dinsdag 30 augustus 2011
Het is weer dinsdag
Mijn gedachten moeten stoppen met moeilijk doen. Ik denk dat mijn gedachten nog ingewikkelder zijn dan een Natuurkunde tentamen: onmogelijk dus. Ik moet stoppen met denken aan toen, iets wat ik me maar al te goed besef, maar wat mijn gedachten niet willen beseffen. Waarom niet? Ik vertel jullie duidelijk dat ik er klaar mee ben, dat ik niet meer wil denken aan dat wat is gebeurd. Dat ik vooruit wil kijken naar wat het leven te bieden heeft. Maar ik kan het niet. Bij elk dingetje denk ik eraan. Het is lastig. Heel lastig. En als je dan na een lange dag eenmaal in bed ligt komt die duizelingwekkende gedachtenstroom weer. Het treitert je, het pest je, het knaagt aan je. Maar niets, helemaal niets is er dat je kan doen om je gedachten stil te zetten.
Misschien dat ik een boek ga schrijven: Hoe-overleef-ik-mijn-gedachten. De conclusie?! Rooz is booz. (voor de Hoe overleef ik kenners) Er is geen manier om het te overleven, uiteindelijk ga je er aan onderdoor. Of niet, maar dat is niet leuk in dit depressieve verhaaltje.
Ik zie geen uitweg meer in mijn denken. Het lijkt net alsof er een knoop aan het eind van mijn gedachtentunnel zit. Een blokkade. Telkens als mijn gedachten wegkruipen van jou, komt het bij de blokkade en is het gedwongen weer terug te gaan.
Ik kijk uit naar het moment dat de knoop in mijn gedachtengang zich zal ontvouwen en de realiteit zal overeenkomen met mijn dromen.
dinsdag 2 augustus 2011
Weetje?
Ik weet niets.
Ik weet niet veel.
Ik weet dat ik vrijdag op vakantie ga.
Ik weet dat ik moe ben.
Ik weet dat ik dorst heb.
Ik weet dat ik ga slapen zo.
Ik weet dat ik Gerard Joling vreselijk vind.
Ik weet dat deze stomme post de laatste dinsdagpost is voor twee weken.
Ik weet dat ik een Pottermore account heb.
Ik weet dat ik stress heb.
Ik weet dat ik gelukkiger dan ooit ben.
Ik weet dat ik Daniëlle en Manou zondag in Emmen zag.
Ik weet dat ik nog steeds piano moet spelen en zingen met Griet.
Ik weet dat ik vreselijk uit mijn ritme ben.
Ik weet dat ik nog twee dagen moet werken.
Ik weet dat de zee op mij wacht.
Ik weet dat die nieuwe mango passievrucht milkshake van de Mac Donalds er heerlijk uit ziet.
Ik weet dat ik nog vreselijk veel te doen heb voordat ik vertrek.
Ik weet dat de Plus reclames me irriteren.
Ik weet dat ik niet meer weet wat ik hier neer wilde zetten.
Ik weet dat ik muggen haat.
Ik weet dat ik de afgelopen nacht 11 muggenbulten rijker ben geworden.
Ik weet dat ik daar heel blij mee ben.
Ik weet dat ik een vreselijke post heb gemaakt.
Ik weet dat ik vergeven word. Hoop ik.
Ik weet dat ik nu ga stoppen JOE.
Ik weet niet veel.
Ik weet dat ik vrijdag op vakantie ga.
Ik weet dat ik moe ben.
Ik weet dat ik dorst heb.
Ik weet dat ik ga slapen zo.
Ik weet dat ik Gerard Joling vreselijk vind.
Ik weet dat deze stomme post de laatste dinsdagpost is voor twee weken.
Ik weet dat ik een Pottermore account heb.
Ik weet dat ik stress heb.
Ik weet dat ik gelukkiger dan ooit ben.
Ik weet dat ik Daniëlle en Manou zondag in Emmen zag.
Ik weet dat ik nog steeds piano moet spelen en zingen met Griet.
Ik weet dat ik vreselijk uit mijn ritme ben.
Ik weet dat ik nog twee dagen moet werken.
Ik weet dat de zee op mij wacht.
Ik weet dat die nieuwe mango passievrucht milkshake van de Mac Donalds er heerlijk uit ziet.
Ik weet dat ik nog vreselijk veel te doen heb voordat ik vertrek.
Ik weet dat de Plus reclames me irriteren.
Ik weet dat ik niet meer weet wat ik hier neer wilde zetten.
Ik weet dat ik muggen haat.
Ik weet dat ik de afgelopen nacht 11 muggenbulten rijker ben geworden.
Ik weet dat ik daar heel blij mee ben.
Ik weet dat ik een vreselijke post heb gemaakt.
Ik weet dat ik vergeven word. Hoop ik.
Ik weet dat ik nu ga stoppen JOE.
dinsdag 26 juli 2011
Officieel is het om 0.00 al dinsdag, dus bij deze.
Ik sloot mijn ogen en luisterde naar hoe de wereld om me heen aan het veranderen was. Het klonk niet meer als eerder. Niet alleen zichtbaar, maar ook hoor- en voelbaar veranderde alles. Mensen, maar ook dingen. Relaties, de sfeer en alles om ons heen. Zelfs de sterren waren anders. De sterren leken droeviger te schijnen dan ze eerst deden. Ook al waren sterren eigenlijk gewoon stukken steen.
Soms is de schijn veel mooier dan de realiteit. Soms inderdaad. Sommige dingen moet je met eigen ogen zien om de schoonheid ervan te ervaren. Zoals Parijs, de zee en de bergen. Van andere dingen houden we liever de schijn op. Zoals de maan. We zeggen altijd: 'de maan schijnt'. De maan schijnt niet. De maan weerkaatst het licht van de zon. De maan heeft de zon nodig om licht te geven, om te schijnen. De maan kan zelf alleen maar een kraterige brok steen zijn.
Ik had mijn ogen nog steeds gesloten, maar ik kon de aanwezigheid van het maanlicht nog wel merken. De realiteit bedroefde me. De maan had de zon nodig, zoals ik jou nodig had. Misschien niet jou. Misschien liefde. Mensen veranderden, terwijl ik stil bleef staan. Iedereen rende me in een razend tempo voorbij. Niemand leek me op te merken, terwijl mensen steeds verder van mij af leken te staan. Ik zette voetje voor voetje, bang om het verleden achter me te laten. Kleine stapjes, omdat ik bang was. Het vertrouwde verleden of de angstaanjagende toekomst. Men leek niet te kunnen wachten om in de toekomst te springen. Het onvertrouwde. Iedereen was klaar om het verleden achter zich te laten, een nieuw avontuur aan te gaan. Ze renden, misschien wel sneller dan die stomme Amerikaan die alle rendingen wint. Mijn spieren protesteerden. Mijn lijf protesteerde. Mijn hart protesteerde. Mijn gedachten protesteerden. Mijn verstand? Die wilde maar al te graag mee. Die was de enige die besef had van de realiteit. Mijn gedachten en mijn hart wilden terug, die hadden een schijnwereld opgebouwd waarin het verleden zich bevond. Ik begon daarin te geloven. Maar stiekem wist ik dat mijn verstand gelijk had en dat de toekomst misschien wel rooskleurig zou zijn. Dat het verleden eigenlijk zo mooi niet was. Dat ik mijn hoofd omhoog moest gooien en vol moed verder moest gaan.
Met tegenzin raapte ik mijn moed bij elkaar en besloot ik me in het avontuur te storten. Na een hele hoop treuzelen dan. Ik was er klaar voor. Een beetje dan.
Soms is de schijn veel mooier dan de realiteit. Soms inderdaad. Sommige dingen moet je met eigen ogen zien om de schoonheid ervan te ervaren. Zoals Parijs, de zee en de bergen. Van andere dingen houden we liever de schijn op. Zoals de maan. We zeggen altijd: 'de maan schijnt'. De maan schijnt niet. De maan weerkaatst het licht van de zon. De maan heeft de zon nodig om licht te geven, om te schijnen. De maan kan zelf alleen maar een kraterige brok steen zijn.
Ik had mijn ogen nog steeds gesloten, maar ik kon de aanwezigheid van het maanlicht nog wel merken. De realiteit bedroefde me. De maan had de zon nodig, zoals ik jou nodig had. Misschien niet jou. Misschien liefde. Mensen veranderden, terwijl ik stil bleef staan. Iedereen rende me in een razend tempo voorbij. Niemand leek me op te merken, terwijl mensen steeds verder van mij af leken te staan. Ik zette voetje voor voetje, bang om het verleden achter me te laten. Kleine stapjes, omdat ik bang was. Het vertrouwde verleden of de angstaanjagende toekomst. Men leek niet te kunnen wachten om in de toekomst te springen. Het onvertrouwde. Iedereen was klaar om het verleden achter zich te laten, een nieuw avontuur aan te gaan. Ze renden, misschien wel sneller dan die stomme Amerikaan die alle rendingen wint. Mijn spieren protesteerden. Mijn lijf protesteerde. Mijn hart protesteerde. Mijn gedachten protesteerden. Mijn verstand? Die wilde maar al te graag mee. Die was de enige die besef had van de realiteit. Mijn gedachten en mijn hart wilden terug, die hadden een schijnwereld opgebouwd waarin het verleden zich bevond. Ik begon daarin te geloven. Maar stiekem wist ik dat mijn verstand gelijk had en dat de toekomst misschien wel rooskleurig zou zijn. Dat het verleden eigenlijk zo mooi niet was. Dat ik mijn hoofd omhoog moest gooien en vol moed verder moest gaan.
Met tegenzin raapte ik mijn moed bij elkaar en besloot ik me in het avontuur te storten. Na een hele hoop treuzelen dan. Ik was er klaar voor. Een beetje dan.
dinsdag 19 juli 2011
Sinds mijn inspiratie momenteel onder het vriespunt is gedaald, zal ik deze week maar eens wat uiterst interessante dingen over mezelf vertellen. Zoals dat ik altijd 20 keer het woord "interessant" opnieuw moet typen, omdat ik niet weer of het met twee erren of twee essen is. En het feit dat ik weet dat "opnieuw" OF "overnieuw" een contaminatie is, maar ik niet weet welke van de twee. Daar kan ik me aan ergeren dus ga ik het nu Googelen.
Ah, "overnieuw" is een contaminatie tussen de woorden "over" en "opnieuw". Zo leer je nog eens wat tijdens het lezen van deze blog.
Op dit moment luister ik Happiness van The Fray. En op dit moment begeven mijn oortjes het. Dat vind ik geen fijn gegeven.
Over zeventien dagen zal ik in de auto stappen om naar Zuid-Frankrijk te vertrekken. Ook zal ik een nachtje in Barcelona vertoeven. Heerlijk, ik kan niet wachten. Weg uit de dagelijkse sleur, weg uit Nederland. Heerlijk. Als ik terug ben zal ik jullie volgooien met verhalen en foto's.
Over zeventien dagen zal ik in de auto stappen om naar Zuid-Frankrijk te vertrekken. Ook zal ik een nachtje in Barcelona vertoeven. Heerlijk, ik kan niet wachten. Weg uit de dagelijkse sleur, weg uit Nederland. Heerlijk. Als ik terug ben zal ik jullie volgooien met verhalen en foto's.
De tijd verloopt veel te snel. Het lijkt gisteren dat ik mijn vorige blogpost schreef.
Ik ben niet tevreden met wat ik nu schrijf, waarschijnlijk gaat dit allemaal weer weg en verander ik het weer. Puur omdat ik soms erg perfectionistisch ben, maar soms ook totaal niet.
Ik hoop dat jullie hiermee genoegen nemen, ik weet echt niks.
Ik zal mijn stukje morgen aanpassen en hier iets nuttigs plaatsen. Het spijt me. Mijn gedachten zijn door een alien opgeslokt.
Ik zal mijn stukje morgen aanpassen en hier iets nuttigs plaatsen. Het spijt me. Mijn gedachten zijn door een alien opgeslokt.
Abonneren op:
Posts (Atom)
