Posts tonen met het label Marije. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Marije. Alle posts tonen

donderdag 19 januari 2012

IJspaleis

Toen we die ochtend de deur uitstapten was de hele wereld van ijs. Van de bloemkolen in de kisten voor de groenteboer op de hoek tot het zand tussen de stoeptegels. De lantaarnpalen glommen en voorzichtige druppels liepen dankzij de uitgestraalde warmte naar beneden. De hele wereld was een grote ijssculptuur en iedereen leek het normaal te vinden.
De straten werden gevuld door mensen die verscholen in hun dagelijkse routine met grote passen van bushalte naar bushalte renden. Zonder uit te glijden of zelfs maar het evenwicht te verliezen.
Misschien hadden wij een winterslaap gehouden en  hadden we zo lang geslapen dat we gemist hadden wat er met de wereld gebeurd was. We hadden duizend jaar met onze ogen dicht in bed gelegen terwijl de hele wereld verder draaide en zoveel veranderde als iets veranderen kon.
Ik wist dat jij hetzelfde dacht, want de wereld was opeens raar en over rare dingen hadden we altijd dezelfde gedachtes gehad. We praatten niet, maar liepen langs de heuvel naar het park terwijl jij zacht je hand in die van mij schoof.

Pas zeven maanden en zeven dagen later begon de wereld met smelten. Eerst maar zachtjes, het waren alleen de plekken die beschenen werden door de warmte van autolampen, door lantaarnpalen. Onder de dikke laag die de wereld deze maanden verhoogd had, kwam in het park de groene waas van het gras weer tevoorschijn. Geen grijze witte wazen meer, maar wereld zoals een wereld zijn kon.
Na nachten van druppels langs ons slaapkamerraam, verdwijnende lagen ijs op het dak, ging het smelten steeds sneller. Van kleine stroompjes over de straten, naar grote watervallen, tot zeeën die alles in hun golven met zich meenamen.
En weer hield je mijn hand vast, net zoals je deed toen we die eerste dag langs de heuvel naar beneden liepen. Grote stromen kwamen door de ramen van het huis naar binnen. We dreven, we zwommen, we verdwenen.

maandag 26 december 2011

Voor toen

De dag dat zij gestopt was met leven had ik mijn lievelingscamera weggelegd. In het bovenste laatje van het nachtkastje dat tegen de donkere muur van mijn zolderkamer had gestaan. De rest van mijn fotografiespullen had ik in dozen gestopt, onderin mijn klerenkast gezet. Nooit meer had ik er naar teruggekeken.
Misschien lieten we op deze manier allebei hetgeen wat eerst ons leven geweest was wegvliegen.
Zo lang als het mogelijk leek te zijn had ik het halfvolle fotorolletje in de camera laten zitten. Ik wist dat er foto’s van haar opstonden, wat mij het meest bang maakte om het te laten ontwikkelen. Misschien was ze ook wel daar verdwenen, had ze zoveel haar best gedaan om alles wat haar levend hield weg te halen. Weg van de wereld, weg van de foto’s. Zo ging dat. Misschien.
Bewaren wilde ik het. Uit angst dus. Maar misschien ook uit verlangen. Zo lang mogelijk beelden van haar bewaren die ik nooit eerder had gezien, ze uiteindelijk laten ontwikkelen en weer weten hoe het voelde om naast haar lichaam in slaap te vallen. Als het zo simpel was om daar een connectie tussen te maken.
Twee weken geleden had ik het grootste deel van de spullen uit mijn oude zolderkamer in kartonnen verhuisdozen gepakt. Weg, ging ik. Ik had een kamer gevonden in de stad waar ik na de zomervakantie studeren zou en wilde alles meenemen wat jaren lang zo vertrouwd aangevoeld had. Mijn paleis van materialistischheid opnieuw opbouwen in mijn nieuwe leefomgeving leek het enige te zijn was mij overeind kon houden.
De boeken haalde ik uit de onderste laden van mijn nachtkasje. De bovenste liet ik dichtzitten. Zonder erin te kijken zette ik hem in het busje dat we van de buurman geleend hadden. Hij moest mee, maar ik wilde niet zien wat er in de bovenste la zat. Ook de kartonnen verhuisdozen die gevuld waren met de rest van mijn fotografiespullen belandden zonder erin gekeken te hebben in achterin het busje. We gingen weg.

Het was nacht, precies twee weken geleden had ik voor het eerst in dit huis geslapen. Inmiddels voelde het haast net zo bekend als de zolderkamer waar ik het grootste deel van mijn leven had doorgebracht. Waar ik al mijn herinneringen opgeslagen had. In de lucht, hangend aan de balken.
Zwijgend zat ik in mijn onderbroek op het randje van mijn bed. Robert Smith van the Cure klonk door mijn koptelefoon en ik staarde naar mijn tenen die stonden op de oude, houten planken van mijn kamer.
Het was lang geleden dat zij mijn dagen zoveel beïnvloed had als vandaag. Even leek het alsof ze weer leefde, alsof ik nog verliefd was op iemand die elk moment op bezoek kon komen. Maar ik wist dat dat niet zo was en dat ik niet moest leven in herinneringen, in illusies.
Nu. Het was nu. En zij was niet hier. Ik had herinneringen, die moest ik koesteren en bewaren. Genieten van wat vroeger gespeeld had. Meer niet. Niet mezelf terugplaatsen in de verhalen, nier ermee omgaan alsof ze elk moment terug zou kunnen komen en haar lippen als vliegende vlinders de mijne weer vinden zouden. Niet dat.
Zacht stond ik op en liep naar mijn nachtkastje. Ik opende de bovenste la en haalde hem eruit. Het rode lint hing ik om mijn nek en ik keek door de camera. Herinneringen, alsof ze realiteit waren. Tot de wind die door mijn openstaande raam naar binnen stroomde mij koude rillingen bezorgde, het haalde mij terug naar het nu.
Snel trok ik snel kleren aan, rende de trap af en liet de voordeur achter mij dichtvallen. Het was tijd voor nachtelijke wandelingen met mijn oude liefde.

(Dit is een stuk van een verhaal wat ik ooit een beetje schreef. En er is meer dan dit stukje, maar het zal nooit af zijn.)(Fijne kerstmis :))

maandag 19 december 2011

Koude dagen

We hadden gedroomd over lange sneeuwwandelingen, maar je overleed voordat de winter begonnen was. Het was het enige seizoen dat we niet samen meegemaakt hadden.
Ik dacht aan die keren dat we door de gure herfstwind wandelden, met onze ogen dicht en alleen maar denkend en pratend over wat we zouden doen wanneer de wereld wit zou zijn. Ik dacht aan onze plannen, aan onze dromen en hoopte dat ze zouden bevriezen onder die dikke laag ijs die de vijvers bedekte. Ik wilde ze niet kwijtraken. Niet vergeten, nooit vergeten.

Op de ochtend van je begrafenis keek ik uit het raam en was de hele grond bedekt met een dikke, witte laag sneeuw. Het zag er zacht uit, maar een enkele weg van voetsporen was er te vinden. De rest was onbelopen, haast maagdelijk wit.
Meer dan een uur stond ik stil voor het raam te kijken hoe de kleine donzen vlokjes naar beneden dwarrelden. Het sneeuwde en de hele wereld wist ervan. Behalve jij.

(het is best wel dramatisch dat afgelopen week het toffe-mensen-dieptepunt was; maar 5 berichten, het minste ooit)

donderdag 8 december 2011

Naakt,

zonder kleren aan stond ik op de koude tegels van de badkamer te kijken naar het water dat de kraan uit liep. Mijn haren kriebelden langs de bovenkant van mijn borsten en ik wist dat als jij mij nu zou zien je zou zeggen dat ik mooi was. Ik wist ook dat jij mij nooit zo zou zien. En dat je al lang gezegd had dat ik mooi was.
Schuim dwarrelde de lucht in, alsof het sneeuwvlokjes waren die de verkeerde kant op gingen.
Alles was zo ingewikkeld.
Ik keek naar de toren van schuim die zichzelf bouwde in het bad. Ik had geen flauw idee waarom ik alleen maar stond toe te kijken en niet het water om mijn lichaam liet sluiten. 
Soms zou ik willen dat iemand mij naakt zag. Dat iemand in mijn hoofd kon kijken, alsof mijn gedachten geschreven woorden waren die alleen maar opgelezen konden worden. Stormen van woorden op een lijntjespapier, zonder verstopte betekenissen en verdwenen achterliggende gedachtes. Alleen maar wat ik dacht, nog begrijpelijker dan het nu voor mij is.
Of  dat iemand mijn lichaam kon zien zoals het echt is, ribben en borsten en kleine moedervlekken op mijn rug. Bruin, als verstopte vlekjes nutella tussen de bergen van mijn schouderbladen. En dat ik daar dan gewoon kan staan en mezelf kan zijn, terwijl iemand anders zag wie ik echt was.
Naakt, alles naakt. Van mijn wiebelende tenen, langs mijn puntige schouders tot de kleinste gedachtes die anders altijd alleen maar in mijn hoofd zullen blijven zitten.

(hoi, ik schreef dit laatst in mijn boekje toen ik in bad zat en nu werkte ik het uit. en ik ben niet tevreden, maar ik wil alleen maar lezen en slapen, dus jullie moeten hier maar wel tevreden mee zijn. au revoir.)

donderdag 1 december 2011

Hallo

Marije zegt:
 noem eens een onderwerp voor een toffemensenstukje?
Vic zegt:
 schapen
 sinterklaas
 keuzes maken
 de onverklaarbare mogelijk van de opties
 of het gebrek daaraan
Marije zegt:
  allemaal te ingewikkeld
Vic zegt:
 zelfs schapen?
 schrijf over dat het leven simpeler zou zijn
 net als dat ukeleles maar 4 snaren hebben
 en dat ze fijn zijn
 over dat de amerikanen miljoenen uitgaven om een pen te ontwikkelen die zonder zwaartekracht kon schrijven in de ruimte
 en dat de russen gewoon alles met potlood schreven
Marije zegt:
 dat is best tof
Vic zegt:
 Over dat schapen mekkeren en geiten blaten
 en dat dat zo heet omdat de eerste letters knoppen met de geluiden
 meh en beh
 over dat dingen altijd liggen op de laatste plek waar je zoekt
 omdat je daarna stopt
 omdat je het gevonden hebt
 over dat we allemaal tijdreizigers zijn
 met een snelheid van 1 seconde per seconde
Marije zegt:
 misschien
 moet jij gewoon mijn stukje van vandaag schrijven?
 dat vind ik best een goed idee
 het mag gaan over waarover je schrijven kan
Vic zegt:
 of je doet ctrl c hier
Marije zegt:
 ja, perfect
Vic zegt:
 en doet ctrl v daarginds
 en zo geschiede

donderdag 24 november 2011

Straks

Ik heb nooit gedacht dat ik ouder zal worden dan negentien. Misschien begint morgen wel mijn laatste levensjaar, is morgen de laatste verjaardag die ik van mezelf meemaak. De laatste keer kaarsjes uitblazen op een taart en met feesthoedjes op valse verjaardagsliedjes zingen.  Misschien is vanavond het laatste moment dat ik het van 23.59 op 24 november naar 00.00 op 25 november zal zien gaan op mijn wekker.
Of ik na vandaag nooit meer een vierentwintig november mee zal maken weet ik niet. Misschien word ik over een jaar nog gewoon wakker en sterf ik pas nadat ik op de kalender heb gezien dat het de vierentwintigste van de elfde maand is. Wie weet.
Ik heb nooit gedacht dat ik ouder zal worden dan negentien. Het leven kon ik niet overleven en oud zou ik nooit worden. Ik wist het al zeker toen ik nog niet eens half zo oud was als nu. Maar op dit moment, vier uur voordat mijn misschien-wel-laatste levensjaar ingaat, weten mijn gedachten niks meer zeker. Precies zoals ze altijd doen op het laatste moment.
Misschien ben ik over een jaar al dood of beginnen mijn laatste vier uren. Misschien niet. Dan blijf ik leven tot het leven niet meer wil en is dat moment pas over onvoorstelbaar veel jaar.
Negenentachtig kan ik altijd nog worden. Wie weet.   

donderdag 17 november 2011

Verdwalen

De afgelopen tijd was ik druk geweest. Hele dagen zat ik in de vensterbank te praten tegen mijn kat en te wachten tot ik antwoord kreeg. Het bleven monologen, maar ik wist ergens wel dat dat niet erg was.
Soms waren er dagen dat ik je vergat, de klokken in mijn hoofd hadden geen tijd meer voor jou. Toen je op donderdagochtend op was gestaan, had ik geen flauw idee dat er iets veranderd was. Ik was haast vergeten dat je bestond.
Het enorme paar vleugels dat zich bij het opstaan ontvouwd had, had ik compleet over het hoofd gezien. Donzige kussens van veren bedekten je naakte rug. Terwijl je in je onderbroek met een melkpak en een melksnor door het huis liep vulde ik het bakje kattenvoer bij. Ondertussen las ik verhalen voor uit mijn lievelingsboek, al wist ik dat jij mij niet horen kon. Daar deed ik het misschien ook wel voor. Ik wilde niet gehoord worden.

De dag dat jij de wereld veroverde lag ik in de sneeuw en maakte ik sneeuwelfjes. Ik miste je pas toen ik merkte dat niemand mij meer warm zou kunnen houden na een tocht door de winterkou. Je was weg. Er lagen enkel verdwaalde veertjes op de andere helft van het bed.
Ik wilde het heelal zijn, maar wist dat ik dan eerst zou moeten stoppen met mezelf oprollen als een klein bolletje wanneer ik ging slapen.
Het voelt best eenzaam zo alleen in het grote bed, misschien moest ik morgen een kleinere gaan zoeken.

donderdag 10 november 2011

De groeten aan de wolken

Zeventien uur en drieëntwintig minuten, perron zeven A. Herhaaldelijk dreunde ik het zinnetje op in mijn hoofd. Ik mocht het niet vergeten, het zou voor een ramp zorgen. Wereldrampen, misschien zelfs wel.
En van wereldrampen hield niemand.
‘Als je gaat, echt gaat bedoel ik, kun je dan de tijd voor mij met je meenemen? Het lijkt me zo heerlijk om eens zonder tijd te leven.’ Het waren fluisterende woorden geweest, in een zachte lentenacht.  Misschien was het wel de eerste nacht waar ik echt van gehouden had.
Niet aan denken, en al helemaal niet nu. Zeventien uur en drieëntwintig minuten, perron zeven A. Het was al bijna zover. Nog nooit had ik iets zo vaak opgedreund in mijn hoofd, ook niet de formules voor mijn examen van wiskunde of het telefoonnummer van een belangrijk persoon. Niets en nooit.
‘En doe ook de groeten aan de wolken,’ was wat hij lachend had gezegd voordat hij de deur sloot. Ik had buiten gestaan, naast mijn fiets. Op dat moment stond ik net voorover gebogen om mijn fietssleutel in het slot te steken en ik had verbaasd weer opgekeken nadat hij zijn woorden uitgesproken had. Ik wist wat hij bedoeld had, maar alles was nog te vroeg. Ik wist niet waarom hij gelachen had. Hijzelf wist het waarschijnlijk ook niet. bedacht ik toen ik de tranen over zijn wangen herinnerde.
Stoppen met nadenken. Zeventien uur en drieëntwintig minuten, perron zeven A. Ik versnelde mijn  pas en liet me leiden door de mensenmassa zoals een vis dat deed door de harde golven in een herfstwind.
Herfst was het niet. Herfst zou het nooit meer worden. Niet hier tenminste. Hier was het altijd hetzelfde. Bijna alsof ik, in plaats van de tijd met me mee te nemen, hem juist achter me gelaten had. Terug naar de tijd, ging ik. En eenmaal daar aangekomen zou het zijn alsof ik nooit weggeweest was. Alles zou zijn zoals vroeger, in ’t begin. Aan het eind? Het einde van het begin, laten we het daarop houden
Zeventien uur en tweeëndertig minuten, perron zeven A. Nooit zal die combinatie van letters en cijfers nog ooit zoveel betekenis hebben. Of was het drieëntwintig? Tweeëndertig? Paniek. Net dat ene wat niet vergeten mocht worden is verdwenen in het zwarte gat van mijn gedachten. Story of my life zou ik bijna zeggen. Over het algemeen was ik een fan van ironie, maar in dit geval kon het me niet bekoren. Niet dat ik er op het moment in kwestie ook maar enige aandacht aan besteedde. Ik had het te druk met paniek raken. Tot ik bedacht: Als ik er gewoon om zeventien uur en drieëntwintig minuten sta, merk ik vanzelf of hij dan komt. Zo niet, wacht ik tot de tweeëndertig. Briljant.
Totdat ik bedacht: Misschien heb ik me wel vergist, en was het helemaal niet drieëntwintig of tweeëndertig, maar twaalf –NIETAANDENKEN-. Dat laatste beetje zekerheid,  de houvast die ik had, zou ik niet verliezen. Dat je als je op zoek gaat naar jezelf zo goed moet oppassen om jezelf niet kwijt te raken had niemand mij verteld. Misschien wilde ik mezelf helemaal niet vinden. Misschien wilde ik juist dat de rest van de wereld zou merken hoe het is om mij kwijt te zijn.
Struikelen en op tijd zijn ging niet goed met elkaar samen. Zeventien uur en vierentwintig minuten. Toen stond ik er. Misschien was ik nu te laat. Het kon nog tweeëndertig zijn. Ik zette al mijn hoop en leven op zeventien uur en tweeëndertig minuten. Perron zeven A was al bezaaid met mensen.  Onbekende hoofden en onbekende levens.
Het was drieëntwintig geweest. En ik was mooi te laat. De mensenmassa werd steeds minder. Nog minder. Een enkele verdwaalde ziel en een paar vogels en verder was er helemaal niemand. Al helemaal niet hij. Al helemaal niemand om de wolken mee te delen.  En toen steeg ik op. Misschien alleen in gedachten maar misschien ook wel helemaal. Toen ik de wolken zag wilde ik wel groeten maar ik kreeg het mijn mond niet uit. En ik hoopte dat hij er was maar hij was ook niet boven de wolken. Zeventien uur en drieëntwintig minuten. Dat zou het nooit meer worden. Niet die dag met die tijd. En alle kansen waren voor altijd verkeken. En ik was vergeten zonder dat mensen hadden beseft dat ik kwijt was geraakt.



hoi marije dat was vet gemeen doei

donderdag 27 oktober 2011

Vanaf toen

De ijzeren spijlen van het hek voelden koud aan langs mijn blote benen. Voorzichtig zette ik mijn voeten tussen de scherpe punten neer, vanaf daar sprong ik naar beneden. Recht in jouw armen. Haast verloor je je evenwicht, maar de paar stappen achteruit hielpen je om het terug te vinden.
Het was raar om hier te zijn wanneer er niemand anders was. Normaal waren we niet de enige in de dierentuin, maar nu waren de paden leeg en verlaten. Het was nacht. Vanuit de hokken klonken af en toe vage geluiden van dieren, maar eigenlijk zweeg de hele wereld.
We renden langs de verblijven en je had mijn hand vast. Mijn jurkje waaide rond mijn lichaam en ik had het idee alsof mijn benen elk moment in elkaar konden zakken. Ik wist niet waarom. Alles was zo breekbaar de laatste tijd.

De pinguïns leefden buiten. Een aantal stond met hun kop tussen hun veren te slapen, anderen waggelden samen met de kleine babypinguïns een beetje heen en weer.
We gingen op het bankje zitten en keken. Je sloot twee koptelefoons aan op je muziek en zette er één van op mijn hoofd en de ander op je eigen hoofd. We luisterden pianoliedjes, zo hard mogelijk galmden de klanken door ons hoofd.

Het was lente, haast zomer. We klommen de dierentuin uit en wandelden langzaam naar je huis, door de nacht.
Je balkon was leeg, de wereld was leeg, op een zacht matras met dikke dekbedden na. We vielen in slaap tussen de kussens, tussen de muggen en onder de sterren en de kwetterende vogeltjes.











(En eigenlijk ben ik best vrolijk, want gisteren zag ik Bon Iver :))(En eigenlijk moet je Comptine d'un autre été: l'après-midi van Yann Tiersen luisteren wanneer je dit leest. Ik wilde het liedje er eerst boven zetten, maar ik vond het toch niet mooi staan.)

donderdag 20 oktober 2011

De vroegste herfst

De eerste keer dat ik alleen met je was liepen we over onze lievelingsweg en vonden we een gewond vogeltje. Hij was klein en zijn vleugels waren naar binnen gevouwen. Je nam hem mee, verzorgde hem op een bedje van bladeren en keek hoe hij bibberend niet meer vliegen kon. Ik wist dat je jaloers was geweest op het feit dat hij wel ooit zijn vleugels uitgeslagen had en jij al twintig jaar met beide benen op de grond stond. Misschien was dat waarom je je zo vastklampte aan het beter worden van het kleine beestje.
Je zong liedjes voor hem, nam hem als levende ziel mee in de verhalen over je dagelijkse leven. 's Ochtends ontbeten jullie samen en hij was de grootste inspiratiebron voor je nieuwe dichtbundel.
En ergens in die tijden daar tussenin besloten wij van elkaar te houden. Zomaar, opeens. En het was goed zo.
Toen hij dood ging begroef je hem in het park onder onze lievelingsboom.

Het had jouw begrafenis moeten zijn. Ik wist dat jij veel liever onder je lievelingsbomen in het grootste park lag dan in die gladde kist op het plaatselijke kerkhof waar je veel te vroeg in belandde. Dat iedereen gedichten voor je schreef en liedjes voor je zong en niet die stille, betraande toespraken over dat je bijzonder was geweest. Dat wisten we al lang, dat wist iedereen al lang.

En je was weg en ik wist dat we nooit meer zo zouden rennen door de herfstdagen als we ooit gedaan hadden.

donderdag 13 oktober 2011

Nachtwandelingen door mijn hoofd

Ik hoopte dat ze nooit zo zou dromen als ik.
De schapen die ik vroeger telde voordat ik in slaap viel waren degene die nu al lang opgegeten waren. Vanaf het moment dat de laatste stierf telde ik de wolven, ze achtervolgden mij in mijn slaap, slopen door mijn dromen.
Ze aten witte wolken, huilden tot de blauwe luchten donkergrijs waren van verdriet.
En je rende, zo hard als je rennen kon, wanneer de wolven je ontdekt hadden. Ze veroverden je leven en alle werelden in je hoofd. Ze aten je op, namen je mee. Weg van mij en alles wat wij ooit hadden gehad.

Ik durfde ’s nachts niet meer dicht tegen haar aan te kruipen, ook al had ik zoveel behoefte aan warme armen. Wat als dromen zich bij de kleinste aanraking, bij de kleinste verbinding tussen twee individuen, van het ene naar het andere mens konden verplaatsen? Als slierten van hersenspinsels, als draden tussen de hoofden van twee verschillende personen.
Ik sliep aan de andere kant van het bed, en zij had geen flauw idee waarom. Het waren de wolven die ons uit elkaar gedreven hadden.
Ik hoopte dat ze nooit zo zou dromen als ik.

(En hierbij een irrelevante foto waar het zomer was, terwijl ik de zomer helemaal nog niet echt mis. En dat maakt de foto nog meer irrelevant dan ik eerst dacht.

Welterusten.)

zaterdag 8 oktober 2011

Donderdag

Laatst kocht ik het grootste bed wat ik vinden kon.
Nadat ik het in elkaar gezet had kriebelden er streepjes licht, die door mijn luxaflex naar binnen gekomen waren, over het dekbed heen. Het stond in mijn vrijwel lege kamer, voor het raam en verder omringd door witte muren. Een bed, zo groot als alle grootste bossen van de wereld bij elkaar opgeteld misschien wel.
Toen jij voor het eerst bij mij sliep deden we alsof het bed een boot was waarmee we de zeven zeeën bevaren konden en uiteindelijk aankwamen in de wereld van jouw dromen. We roeiden, met alle riemen die we hadden. We veroverden landen, woonden drie maanden tussen de zachte, warme dekens van ons eigen schip.
We besloten te blijven, het werd ons eigen eiland. We sloten ons op, leefden er voor jaren. Het was goed zo.
In de winter haalden we extra dekbedden tevoorschijn en wikkelden die om onze bevroren lichamen heen. In kleermakerszit zaten we tegenover elkaar en deden alsof we sneeuw konden zien vallen in elkaars ogen. Staren, deden we, en luisteren naar Fleet Foxes die ons toezongen. We vermeden winterdepressies, op ons eigen eiland naar de winterliedjes luisteren was het enige waarmee wij onze tijd doorbrachten.
Wanneer het lente werd klommen we ’s avonds over het bed heen en gingen we in het raamkozijn zitten. Benen bungelden uit ramen van de derde verdieping en jij las voor uit het dikste sprookjesboek dat je in je hoofd geschreven had.
En zoals na elke lente kwam er ook nu een zomer.
In de zomer kochten we vlinders, die we rond lieten vliegen door de kamer terwijl wij sliepen tussen de witte lakens. Ze sloegen hun vleugels uit om het bed heen, streken neer op de witte muren en sliepen op momenten dat wij wakker waren.
In de herfst lieten we ze gaan. Uren stonden we in de storm te kijken hoe ze zich vermengden met de lucht vol bladeren en hun eigen vrijheid opzochten. De wind nam ze mee, gaf hun vleugels minder vrijheid dan wij ze ooit in de witte kamer gegeven hadden.
Het was de laatste keer dat ik je zag.


 


Vandaag is een herfstige zaterdag, dus kocht ik een nieuwe muts, zoals ik wel vaker doe op herfstige zaterdagen. En eigenlijk schreef ik het bovenstaande stukje donderdag al, maar toen was ik niet tevreden en vandaag besloot ik dat het niet uitmaakt dat ik niet tevreden ben. Ik hoef niet altijd tevreden te zijn.
Ik wilde trouwens eigenlijk mijn stukje van donderdag wijzigen, maar die was op de één of andere mysterieuze wijze verdwenen, vandaar dat het nu een zaterdagstukje is. Raar is dat wel.

donderdag 29 september 2011

De laatste uren voor mijn winterslaap

Dromen drijven als wolkjes door de lucht, maken de geluiden van zachte windvlagen terwijl ze langzaam langs vliegen.
Weet je nog, toen we er vroeger met onze schepnetjes achteraan renden? Alsof het vlinders waren hadden we ze proberen te vangen. Maar net als vlinders wilden ook de dromen niet gevangen worden. En als je ze met rust liet, niet meer achterna zat, streken ze altijd voorzichtig op je schouder neer.
Misschien is dat wel iets wat ik nu nog steeds niet snap, als ik dromen wil vergeet ik altijd dat dromen mij op zulke momenten niet willen. Dus blijf ik tot op de dag van vandaag nog rennen. Al is het hopeloos en weet ik dat heel goed.
Ik lig in het gras, de wind kriebelt langs mijn blote schouders en laat de haartjes op mijn armen als kippenvel overeind staan. Ik strijk er met mijn vingers langs, teken olifanten, appeltaarten en vuurtorens op mijn eigen huid.
Zoals de takken van de bomen aan de rand van het park dat ook kunnen, wiebelen mijn benen door de lucht. Ik laat ze vliegen, mijn voeten zijn vogels, kijk toe hoe ze bewegen voor de witte wolken en hun blauwe achtergrond. Laat ze de zon weg nemen, totdat ik gevangen word door de schaduwen. Blijf voor even opgesloten, totdat ik mijn voeten weer voor de zon weghaal en opnieuw verblind word door de laatste zomerdagen.
Uiteindelijk knijp ik mijn ogen tot spleetjes en zie de strepen licht verdwijnen. 










(Sorry Margriet, ik kon niet over bossen schrijven. De bos-woorden wilden mijn hoofd niet inkomen en al helemaal niet verlaten als getypte woorden. Het spijt me ten zeerste, ik hoop dat je mij dit ooit vergeeft.)

vrijdag 23 september 2011

Watervallen van de donkere najaarsnachten

Mijn voeten spelen met het warme water alsof ze regenlaarzen zijn op een koude, verdwaalde herfstdag. Wanneer het water kletterend neerkomt op de douchevloer zorgt het wiebelen van mijn tenen ervoor dat het weer omhoog spat en vermengd wordt met de nieuwe druppels.
Ik leg mijn hoofd in mijn nek en hou de sproeier boven mijn hoofd, laat het warme water over mijn gezicht lopen en ril even. De druppels glijden over mijn huid, als watervallen door de kuiltjes in mijn schouders, langs mijn borsten over mijn buik en benen naar beneden. Raken de vloer, en spatten weer omhoog.
En misschien wilde ik ook alleen maar dat je zag hoe breekbaar ik was, dat je je best deed om mij heel te houden en samen met mij te leven in de donkere nachten tussen onze werelden in. Maar zo was het niet, zo was het nooit. En misschien moet ik gewoon opgeven en alles laten gaan.
Terwijl de watervallen langs mijn lichaam lopen besluit ik dat ik niemand nodig heb om gelukkig te zijn. Volgende week koop ik een grijze, langharige, perzische babykat waarmee ik kan wandelen door het park en ik ga boeken schrijven omdat ik mijn verhalen aan iemand wil vertellen.’s Nachts ren ik duizend rondjes in mijn eentje om de fontein terwijl de sterren en de lantaarnpalen nog de enige lichtpuntjes in de wereld zijn en laat val ik in slaap nadat ik eerst nog naar the Cure moet luisteren. Dan komt alles goed.
Het zou best fijn zijn als het allemaal zo kon en zo simpel was, en ik niemand nodig had om tegen te schreeuwen dat ik om die persoon geef of iemand om levens te tekenen op mijn lichaam als ik wil dat iemand levens tekent op mijn lichaam.

Watervallen verdampen, vormen wolken van gedachten en sproeien samen met de laatste druppels uit de sproeier een klein beetje liefde over mij heen.







(Over elf uur en drie minuten begint de herfst, ontdekte ik net. En margriet en ik hadden een thema deze week. Oh en het is ook best jammer dat jullie de randjes van mijn sokken niet zien kunnen, want die zijn heel mooi. Dus, slaap lekker, deze laatste zomernacht.)

donderdag 15 september 2011

Stomme, mooie herinneringen.

Septembers woorden vlogen als stukjes geluk door het begin van de nacht. Het leken vogels met gouden vleugels, die binnen kwamen door mijn oren en zich daarna vast plantten in mijn hersens. Ze waren van plan om daar eeuwig te blijven zitten, vormden zichzelf gelijk om tot herinneringen die ik niet meer vergeten zou.
Het was donker buiten, het waaide en regende zachtjes. We hadden niets door. Waren teveel bezig met het ontdekken van de ander, het maken van landkaarten van gebieden die we nooit bezocht hadden maar ons nu langzaam bekend voor begonnen te komen.
Ik wist dat ik uren naar je had kunnen kijken, maar ik deed het niet.
En het leek mij best een goed idee om samen een tweepersoons hangmat te kopen en ons in slaap te laten wiegen door de nacht. Voor één keer maar. Alleen had ik geen idee hoe ik dat tegen jou moest zeggen, dus ik zweeg.
Ik wist niet waarom je zo opeens mijn leven binnen was komen wandelen, waarom je ervoor had gekozen tegen mij te gaan praten terwijl er duizend namen waren die je nog niet wist, waarom je zo keek als je kijken kon en waarom je chromosomen zo prachtig gecombineerd waren. Ik snapte er niet zoveel meer van.
Ik wist wel dat jij mij kon redden, maar ik wilde die nacht alles behalve gered worden.

Met wiebelende benen zat ik aan het einde van de nacht op het stenen muurtje voor het huis te kijken hoe jij langzaam opstapte en wegfietste. De takken van de bomen wiebelden met mij mee, waaiden heen en weer voor de donkere lucht.
Twee seconden had ik mijn ogen gesloten, wetend dat die paar tellen de wereld konden veranderen. Toen ik ze weer opende was je verdwenen, en ik wist dat het de laatste keer zou zijn geweest dat ik je zag.
Ik voelde me net een klein, verdwaald vogeltje.

donderdag 8 september 2011

Toen

En soms komen er kleine lichtjes door de gordijnen naar binnen, tekenen ze strepen op mijn muren en spelen ze met de kleuren van mijn plafond. Ik staar dan eigenlijk alleen maar, zie vanuit mijn ooghoeken per ongeluk hoe de wind mijn gordijnen doet opbollen en de kleine stukjes zonnestraal naar binnen glippen.
Het liefst loop ik door donkere huizen. Als ik alleen thuis ben doe ik nooit lampen aan en wacht ik tot het donker wordt en al het zwarte mijn wereld over neemt. Ren ik door de lange gangen, doe ik alsof ik klein ben en mijn lichaam op kan vouwen tot ik in mijn nachtkastje pas. Maar ik ben niet klein en mijn benen blijven als stokken uit het kastje steken. Hoe vaak ik het ook probeer, het lukt niet.
En weet je nog, toen we naar de dierentuin gingen en jij mijn hand vasthield alsof je nog nooit een hand vastgehouden had? Nee, ik ook niet meer.
Ik weet alleen nog de verlichte steden met piepkleine huisjes die we op de terugweg zagen vanuit de trein. De duizend strepen licht die voor onze ogen verschenen wanneer we ze half dichtknepen.
Misschien geef ik je wel een lampen cadeau met kerstmis. “Alsjeblieft, hier heb je het licht terug,” zeg ik dan.

donderdag 1 september 2011

Ik weet niet eens of je me zag toen je omkeek naar de lucht waarin al duizenden mensen verdronken waren.

We renden langs zeven zeeën tegelijk. Vanuit te duinen, over verwaaide stranden en langs de kustlijnen die randen vormden om de omgevingen van water. Het natte zand voelde hard en kwetsbaar aan onder blote voeten die grote sprongen maakten over de bruine ondergrond.
Zand tussen je tenen,
zand op je onderbenen.

We renden alleen maar, misschien zetten we wel miljoenen stappen. Zwegen verder, de woorden die in ons hoofd zaten en we niet uitspraken waren alleen maar verspild en onnodig geweest.
Ik voelde me zo ongelukkig wanneer ik met je praatte, maar ongelukkiger als ik helemaal niet tegen je sprak. Ik wist niet of ik ongelukkig of ongelukkiger wilde zijn. Het was een keuze die ik niet kon maken, dus ik deed alsof de mogelijkheid tot een beslissing niet bestond.
Rende verder langs de zeeën, met jou.
De golven die af en toe hard tegen onze enkels beukten waren koud, zaten vol bevroren dromen en ongeopend geluk. Ze waren hard, voelden als gekleurde glasscherven, alsof ze veel zeggen wilden, door onze lichamen naar binnen wilden dringen en verhalen wilden vertellen. Verhalen waar woorden niets mee konden.
Ik liet ze komen, de golven, wilde er meer van dan ik krijgen kon. Het liefst was ik gelijk de zee in gevlucht en had de ijskoude dromen en stukjes verloren geluk mijn wereld over laten nemen. Weg van alles. Van iedereen, van jou.
Het was niet zo dat ik niet bij je wilde zijn, het was meer zo dat ik niet wist hoe dat moest. Bij iemand zijn.
Hoe graag ik het wilde, de zee in rennen kon ik niet, muren hielden mij tegen. Misschien hadden we elkaar wel nodig, om ons te laten overspoelen door het ijskoude water, maar waren we zo hard op zoek naar onszelf dat we steeds misliepen wat we wilden. Al wilden we het nog zo graag.
Dus renden we door. Over verlaten stranden en door de aangespoelde, bevroren golven. Naar elkaar toe, van elkaar af en dat elke seconde weer opnieuw en opnieuw en opnieuw.

vrijdag 26 augustus 2011

Goedenmorgen

Het is vrijdag, en ik heb nog niets geschreven.
Na mijn wereldreis van morgen beloof ik een stukje te plaatsen.

Met vriendelijke groet, donderdag #2
(helaas moet ik mevrouw Woensdag over mij wel gelijk geven, ik ben drie minuten buiten de tijd. ik hoop dat jullie me vergeven.)

donderdag 18 augustus 2011

Lowlands

Ik heb geen idee waar ik ben als jullie dit lezen. Misschien wel kroketten etend op een stukje leeg gras op het festivalterrein, misschien kom ik wel net mijn tent uit gekropen terwijl ik concludeer dat de zon schijnt, misschien wel rondjes dansend door de regen in een poncho. Ik heb geen idee waar of hoe of met wie of wanneer, maar het zal vast fijn zijn.

Over twintig uur, als dit stukje gepost wordt, zit ik in de auto. Vol trots, aangezien ik eindelijk eens niet met een backpackrugzak die twintig keer zo breed is als ik, tent, matje en overige dingen hoef over te stappen op volgeladen stations. Nee, gewoon een auto dit jaar. Ruimte, comfort, gemakzucht.
Ik neem zelfs een kussen mee. Het is een heel vooruitgang vergeleken met vorig jaar.

De eerste keer Lowlands, wordt dit voor mij. Normaal bracht ik mijn festivaldagen een stuk zuidelijker door. Werchter, Pukkelpop en toen ik vijftien was zelfs een keer Pinkpop (al was dat achteraf gezien iets te roze voor mij).
Ik zou moeten weten wat ik kan verwachten, aangezien iedereen mij al duizend overtuigingsverhalen heeft verteld. Vol sfeerimpressies, sappige details en alle informatie die je maar wensen kan. Maar toch weet ik het niet, wordt er in mijn hoofd geen beeld gevormd. Ja, podia. Campings. Muziek. Eten. Kroketten (die hadden ze in België niet, misschien is dat wel wat mij uiteindelijk overtuigd heeft om dit jaar voor Biddinghuizen te kiezen).
Ik zal me laten verrassen.