Posts tonen met het label Mathijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mathijs. Alle posts tonen

zondag 7 augustus 2011

Sven wordt wakker. Het felle zonlicht walst zich een weg tussen zijn amper geopende oogleden en op hetzelfde moment dringt tot hem door dat hij weer eens tot diep in de middag heeft liggen slapen. Hij voelt zich vreselijk; de alcohol- en sigarettensmaak in zijn mond doen hem walgen. Een vormeloos gat naast zijn hoofdkussen trekt zijn aandacht. “Verdoemmeee!” Het droge stemgeluid dringt in de afgebladerde muren en verdwijnt. “Verdoemme verdoemme verdoemmee!”. Woedend gooit hij zijn vuist tegen de poster van ‘The Fall’ die naast zijn matras hangt en vloekt nogmaals tegen zichzelf.

Het gat werd negen uur eerder gevormd door een ongedoofde Lucky Strike-sigaret die uit Sven’s rechterhand viel terwijl hij met de andere hand in het slipje van zijn one-nightstand iets ongewoon aantrof. Hij had ‘haar’ natuurlijk niet goed kunnen bekijken in het discolicht dat het zaaltje achteraan de Poco Loco doorkliefde. Ze was tegen hem aan komen dansen en had op haar mobieltje haar naam getypt. “MIRANDA”, stond er in dikke letters te lezen. Hij schreef haar die van hem terug en voegde eraan toe of hij haar iets mocht aanbieden. Ze knikte en even later kwam Sven terug met twee glaasjes cava, zijn vijfde die nacht. Al snel bleek dat Miranda haar handen niet kon thuishouden, tot jolijt van Sven die in haar oor schreeuwde of ze niet naar zijn kamer wilde meekomen, twee straten verderop. Miranda knipoogde en kuste hem vol op de lippen. Zo gebeurde het dus dat Sven twee straten en wat trappen later zijn nog gloeiende sigaret naast zijn hoofdkussen liet vallen en in een dronken bui besliste dat hij wel eens wilde weten hoe het voelt.

Twee dagen later gaat Sven op aanraden van zijn zus, zowat de enige die zich nog om hem bekommert, op bezoek bij zijn huisarts, Dr. Vanacker. De grijze, gesloten man in witte jas neemt hem een bloedtest af en belooft hem te bellen wanneer hij de resultaten heeft. Op vrijdag 5 augustus 2011 zou Sven nieuws krijgen dat hem tot zijn allerlaatste dag zal achtervolgen. Samen met 40 miljoen andere mensen ter wereld mag hij zichzelf vanaf nu drager noemen van het dodelijke HIV-virus.

maandag 1 augustus 2011

Synthese van een verborgen maand.

Ik schrijf zondag 31 juli 2011, de deprimerende wekker op het zwarte tafeltje naast mijn matras schiet 03u31 de kamer in. Het leven is hard voor iemand die schrijft. Gelukkig ben ik niet al te productief de laatste tijd. “Het is een provocatie tegen het kapitalisme met zijn druk tot productie en consumptie!”, lieg ik gewoonlijk. Schrijven is een berg en aan de voet ervan zinkt de moed me in de schoenen. Meestal keer ik snel op mijn passen terug, het veilige dorp in waar de cabaretier zijn volk vermaakt en de cinema volle toeren draait. “Wat een leven”, denkt het volk; schimmen in Plato’s grot. Niet zelden dans ik met ze mee en vermaak me met verlangen naar de eenvoud van hun diepste zijn; een schaduw kan men immers niet op de voeten trappen.

Ik geef de last van het schrijven en de kunst toe, de tocht die men maken moet door het zelfbewustzijn en het ploeteren in de verradelijke zeeën van het ik. Meer dan eens verdronk ik of ging ten onder aan een zware gedachtenlast. Kon de psyche zelfmoord plegen dan werd de weg naar mijn Rome geflankeerd door zelfgedolven graven. Enkel een dode dichter zou het grafopschrift kunnen bedenken.

De cijfers op mijn horloge verspringen en drie straten verderop schakelt Nadja, een uit Rusland afkomstige prostituee, het licht van haar etalage uit. Hier moet de hoererij nog beginnen, bedenk ik terwijl het plafond me van achter zijn rode waas aanstaart.