Donker zwart licht uit,
donker zwart licht uit,
licht donker zwart uit,
licht zwart donker uit,
zwart licht donker uit,
zwart donker licht uit,
uit.
Blijf lekker zitten, geniet van de zit. De lichten gaan uit. Je kijkt, maar toch niet. Je denkt dat je kijkt. Je volgt het, tot je een onmiskenbaar gevoel krijgt van hetgeen wat zich voor je ogen afspeeld. Nostalgie. Je kijkt naar de zwarte wand naast je. Naar de mensen voor je, naast je en achter je. Die mensen nippen van hun cola, eten iets, zijn aan het zoenen of ze doen helemaal niks. Helemaal niks. Je kijkt naar het scherm, het gevoel is er nogsteeds, maar je kijkt. Je probeert het te volgen, maar het lukt niet. Hoe laat is het? Gaat hij me zoenen? Hoe lang nog? Wat doen die mensen voor me? Is er wel een nooduitgang? Heb ik de deuren wel op slot gedaan?
Wat denken al die mensen wel niet. Wat denken jullie wel niet.
Licht aan,
aan.
vrijdag 8 juli 2011
donderdag 7 juli 2011
Ooit
Hij: Ooit ben ik oud. Dat merk ik dan meteen, dat ene moment waarop je denkt: Nu ben ik écht oud. Dan ga ik mijn dagen verslijten in een schommelstoel. Heen en weer en weer terug. En schommelend zal ik staren en voelen. Terwijl ik herinneringen van vroeger herleef. Met de tijd zal dan de grens tussen herinneringen en schommelstoel vervagen. En dan weet je: Ik weet het niet meer. Behalve dat je dat niet weet dan.
Dan is het tijd. Tijd dat iedereen weer eens op bezoek komt, “voordat het te laat is” zoals ze zullen zeggen. Niet dat het dan nog uitmaakt. Ik denk dat mijn nieuwsgierigheid naar en verwondering over het begrip Einde genoeg motivatie zijn om niet vast te blijven houden aan dat laatste restje adem wat er in mijn vermoeide longen zal zitten.
Vervolgens volgen de emotionele momenten. Misschien druk ik jou wel dicht tegen me aan. En heel misschien fluister ik dan wel: “Dankjewel.“ Overdenking, terwijl ik langzaam wegglijd. Wachtend tot iemand me naar het einde brengt.
Misschien komt het wel nooit zo ver. Misschien vertraagd de tijd voor je dood, steeds verder. Zodat je steeds dichter en dichter tegen de dood aanschurkt, zonder dat je er ooit zal komen. Asymptotisch heet dat, weet mijn gymnasiumbrein me te vertellen.
Of misschien draait de tijd wel om, en krijg je alles nog een keer achterstevoren. De dvd heeft de videoband nooit helemaal uit de filosofie verdreven, terugspoelen blijft interessant. Zouden we het überhaupt merken als de tijd nu achteruit zou gaan? Zouden we al dood zijn?
Zij: Ik voel me niet heel dood, eerlijk gezegd.
Hij: En toch zou het kunnen.
Zij: Wat als je niet oud wordt?
Hij: Dan is alles anders.
Zoektocht
Een gemiddeld mens verspilt veertig dagen per jaar met het zoeken naar verloren dingen. Veertig dagen. Denk aan al die reizen die je had kunnen maken, pizza's die je had kunnen eten, boeken die je had kunnen lezen of uren die je voor je uit starend op een stoel had kunnen zitten.
Ik zou mezelf niet beschrijven als iemand die altijd alles kwijt is. Ik teken plattegronden in mijn hoofd, voeg daar alles aan toe wat ik onthouden wil en vind het zo vaak simpel terug. Overzichtelijk, is het in mijn hoofd, in tegenstelling tot de hoofden van de mensen die ik ken.
Die duizend keren dat ik de trein heb gemist doordat de fietssleutels van de persoon waarmee ik weg zou gaan opeens in het niets verdwenen waren, en ik maar stond te wachten en me afvroeg hoe je zo vaak iets kwijt kon zijn. Of die uren die ik iemand heb proberen te bellen, die mij achteraf vertelde al een week niet te weten waar zijn telefoon zich bevond.
Toch besef ik, nu ik erover nadenk, dat ook ik die veertig dagen vul met zoeken naar dingen die ik kwijt ben. Misschien minder aan de materiële dingen waarnaar je letterlijk op zoek kunt gaan, maar ik zoek in die dagen dan weer naar andere dingen (al moet ik trouwens wel zeggen dat ik elke avond mijn pyjama kwijt ben en hem terugvindt op de raarste plekken, een rare hobby is het zoeken daarnaar geworden).
Vaak raak ik mijn besef van tijd kwijt. Mijn ontbijt heb ik dan aan het eind van de middag gehad en als eigenlijk de volgende dag al begint heb ik soms nog het idee dat ik net opgestaan ben.
Daarnaast is inspiratie ook iets waar ik haast dagelijks een paar uur naar opzoek ga. Zo graag wil ik dan schrijven, dat het niet lukt, terwijl ik op andere dagen bij wijze van spreken zelfs over een eenzame pinguin iets kan schrijven waar ik tevreden over ben.
Of de liefde, zoek ik ook vaak. En aandacht, en mensen waarbij ik me veilig voel. Misschien kom ik wel over die veertig dagen heen met zoeken. Misschien zoek ik onbewust wel meer dan de gemiddelde mens, eerder mijn hele leven, maar heb ik dat alleen niet zo goed door.
Ik zou mezelf niet beschrijven als iemand die altijd alles kwijt is. Ik teken plattegronden in mijn hoofd, voeg daar alles aan toe wat ik onthouden wil en vind het zo vaak simpel terug. Overzichtelijk, is het in mijn hoofd, in tegenstelling tot de hoofden van de mensen die ik ken.
Die duizend keren dat ik de trein heb gemist doordat de fietssleutels van de persoon waarmee ik weg zou gaan opeens in het niets verdwenen waren, en ik maar stond te wachten en me afvroeg hoe je zo vaak iets kwijt kon zijn. Of die uren die ik iemand heb proberen te bellen, die mij achteraf vertelde al een week niet te weten waar zijn telefoon zich bevond.
Toch besef ik, nu ik erover nadenk, dat ook ik die veertig dagen vul met zoeken naar dingen die ik kwijt ben. Misschien minder aan de materiële dingen waarnaar je letterlijk op zoek kunt gaan, maar ik zoek in die dagen dan weer naar andere dingen (al moet ik trouwens wel zeggen dat ik elke avond mijn pyjama kwijt ben en hem terugvindt op de raarste plekken, een rare hobby is het zoeken daarnaar geworden).
Vaak raak ik mijn besef van tijd kwijt. Mijn ontbijt heb ik dan aan het eind van de middag gehad en als eigenlijk de volgende dag al begint heb ik soms nog het idee dat ik net opgestaan ben.
Daarnaast is inspiratie ook iets waar ik haast dagelijks een paar uur naar opzoek ga. Zo graag wil ik dan schrijven, dat het niet lukt, terwijl ik op andere dagen bij wijze van spreken zelfs over een eenzame pinguin iets kan schrijven waar ik tevreden over ben.
Of de liefde, zoek ik ook vaak. En aandacht, en mensen waarbij ik me veilig voel. Misschien kom ik wel over die veertig dagen heen met zoeken. Misschien zoek ik onbewust wel meer dan de gemiddelde mens, eerder mijn hele leven, maar heb ik dat alleen niet zo goed door.
woensdag 6 juli 2011
Vreemdeling
Je loopt over straat. Een glimlach. Een vreemdeling.
Een wirwar van woorden. Als een dans die je ooit kende maar die je bent verleerd.
Af en toe herinner je je een pasje en dans je een stukje mee totdat je de draad weer kwijt raakt.
In deze vreemde verre stad woont een jongen die oorspronkelijk op loopafstand van mijn veilige thuis woont. Hij spreekt in de taal die ik spreek en hij kent de plaatsen die ik ken. Naar grote waarschijnlijkheid waren we al eerder op dezelfde plek. Een vreemdeling.
Soms vraag ik me af hoe het klinkt als ik hier loop en spreek in de taal die ik altijd spreek terwijl iedereen om me heen woorden gebruikt die er een beetje op lijken maar die toch heel anders zijn. Voor hen ben ik raar. Heel anders. Een vreemdeling.
Ik slaap op een bank in een huis in het centrum van Oslo. Ik kwam hier binnen als een vreemdeling. Ik viel in slaap als een vreemdeling. Vannacht val ik in slaap als een vreemdeling.
Soms hoor ik in de wirwar van klanken en dansen een woord wat ik herken. Mijn onderbewustzijn is er op gefocust en geeft me seintjes. Dan praat ik. Probeer de vreemdeling een mens te maken. Vandaag was dat fijn en leidde dat ons leven een berg op. Een plek waar we anders niet waren gekomen. Een stukje uit het leven van een vreemdeling.
In een jeugdherberg in bergen speelden we een spel met twee Duitsers. Een vragenspel. Ik weet hun namen niet maar ik weet wel dat zij al twee jaar geen t-shirt met streepjes heeft gedragen en dat hij vroeger wel eens een cake bakte en toen hij 5 was hij nog met een knuffel sliep. Zijn ze dan vreemdelingen?
Ik slaap op de bank van een Zweedse jongen die in het stapelbed boven mijn hoofd ligt. Ik weet zijn naam en ik weet dat hij een genie is met alles wat beeldend is. Meer weet ik niet. Ik hoop dat ik overmorgen vertrek als een bekende en dat ik geen vreemdelingen achterlaat.
Een wirwar van woorden. Als een dans die je ooit kende maar die je bent verleerd.
Af en toe herinner je je een pasje en dans je een stukje mee totdat je de draad weer kwijt raakt.
In deze vreemde verre stad woont een jongen die oorspronkelijk op loopafstand van mijn veilige thuis woont. Hij spreekt in de taal die ik spreek en hij kent de plaatsen die ik ken. Naar grote waarschijnlijkheid waren we al eerder op dezelfde plek. Een vreemdeling.
Soms vraag ik me af hoe het klinkt als ik hier loop en spreek in de taal die ik altijd spreek terwijl iedereen om me heen woorden gebruikt die er een beetje op lijken maar die toch heel anders zijn. Voor hen ben ik raar. Heel anders. Een vreemdeling.
Ik slaap op een bank in een huis in het centrum van Oslo. Ik kwam hier binnen als een vreemdeling. Ik viel in slaap als een vreemdeling. Vannacht val ik in slaap als een vreemdeling.
Soms hoor ik in de wirwar van klanken en dansen een woord wat ik herken. Mijn onderbewustzijn is er op gefocust en geeft me seintjes. Dan praat ik. Probeer de vreemdeling een mens te maken. Vandaag was dat fijn en leidde dat ons leven een berg op. Een plek waar we anders niet waren gekomen. Een stukje uit het leven van een vreemdeling.
In een jeugdherberg in bergen speelden we een spel met twee Duitsers. Een vragenspel. Ik weet hun namen niet maar ik weet wel dat zij al twee jaar geen t-shirt met streepjes heeft gedragen en dat hij vroeger wel eens een cake bakte en toen hij 5 was hij nog met een knuffel sliep. Zijn ze dan vreemdelingen?
Ik slaap op de bank van een Zweedse jongen die in het stapelbed boven mijn hoofd ligt. Ik weet zijn naam en ik weet dat hij een genie is met alles wat beeldend is. Meer weet ik niet. Ik hoop dat ik overmorgen vertrek als een bekende en dat ik geen vreemdelingen achterlaat.
portemonnee
Frans is nooit mijn sterkste vak geweest. Ik dank god dan ook op mijn blote blauwe knietjes dat internet en wikipedia bestaan.
Porter en Monnaie, dragen en munt in het Frans. muntdrager, simpeler kan niet.
Als je er bij stilstaat, neem je dat ding overal mee naartoe. Daar komt bij, dat je ook een hoop ellende overal mee naartoe sjouwt. Ik kan met alle uitsteeksels op mijn lichaam niet tellen hoe vaak dat ding mij in de problemen heeft gebracht.
Ik ben een ramp met mijn financiën.
Introductie? Haal je portemonnee maar tevoorschijn. Jaag je alle golddiggers in een keer weg. Maar, gezien het feit dat ik er toch vrijwel geen geld in heb zitten, kan het geen kwaad om alles eruit te gooien.
Ik doe mijn portemonnee open. En het is duidelijk. Ik ben zo goed als platzak. Nog twee euro en vijfenzeventig cent. Zou ik ook met plectrums kunnen betalen? Verder, heb ik welgeteld 7 buskaartjes en 28 treinkaartjes in mijn portemonnee.
En nee, ik ben geen trots verzamelaar, ik ben de hoofdsponsor van de NS, gezien het feit ze het leuk vinden om mijn OV in bezit te houden. Maar ach, daar staat een pasfoto op. Het zal wel aan mijn haar liggen.
What else? 2 pinpassen, useless. Een identiteitskaart. Verdacht genoeg heeft de politie bij controle ‘m nooit willen houden. De NS heeft een rare smaak. Een Belgische verblijfsvergunning, nooit nodig gehad, maar hé, dat ding kost maar liefst vijf euro. Emigreren? Ik adviseer het tropische België. Een Fontys schoolpasje. Oh, maak er maar acht buskaartjes van.
Verder, pasfoto’s, voor een lieve conducteur, je weet maar nooit, wie weet kom je misschien zelfs onder een boete uit. Twee verzekeringspasjes, ik zoek nog sponsors voor mijn maandelijkse premie. Twee pasjes van twee kledingszaken. Van die winkels waar je een keer iets koopt, en een pasje van krijgt.
Maar. Als ik diep in de vakjes graai, komen de leuke dingen. Mijn portemonnee is de natuurlijke habitat van wilde gevouwen hartjes en kraanvogels, Andy Warhol en Dali museumbezoeken en plectrums.
Muntdrager. My ass.
dinsdag 5 juli 2011
We leven in een zeepbel
Het schrift van anderen, iets prachtigs. Mensen schreven hun kennis, idealen en wensen op en deelden dit met de wereld. Ik zat in een verlaten bibliotheek, waar alle boeken nog in stonden. Vele boeken waren zo oud dat de bladzijdes waren verkleurd en bruin waren geworden. Niemand kon deze schoonheid waarderen, behalve ik. Ik staarde uit het raam, het raam was beslagen en daarnaast niet meer helemaal helder. Toch kon ik de contouren van een lichaam herkennen, een vrouwen lichaam.
Ik stond op en liep met langzame en kleine passen richting het raam, bang dat de verschijning zou verdwijnen. Bang dat de verschijning alleen in mijn gedachten bestond. Hoe dichter ik bij het raam kwam, hoe meer het raam besloeg. Eenmaal bij het raam aangekomen, veegde ik met mijn mouw een beetje condens weg. Niet te veel, niet te weinig. "Te" is nooit goed. Ik keek voorzichtig, en zag de contouren nog steeds. Ik opende een klein raampje, waardoor een frisse wind me tegemoet kwam.
De gedaante bleek door het minuscule raampje te passen en stond nu met mij in een ruimte. Mijn adem stokte even, om zich vervolgens te hervatten, luider en sneller dan normaal. Mijn hart leek zo hard te kloppen, dat ze in Oezbekistan mijn hart nog zouden kunnen horen kloppen.
De gedaante bleek door het minuscule raampje te passen en stond nu met mij in een ruimte. Mijn adem stokte even, om zich vervolgens te hervatten, luider en sneller dan normaal. Mijn hart leek zo hard te kloppen, dat ze in Oezbekistan mijn hart nog zouden kunnen horen kloppen.
Zeven passen, vier met links en drie met rechts. De houten vloer kraakte onder je voeten met elke stap die je zette. Zeven. Weg, weg van hier. Zeven passen, en je was weg. Toch was er iets, iets waardoor het niet onaangenaam, niet eenzaam en niet kil was. Het was fijn. Ik kneep mijn ogen samen en draaide mijn hoofd weg.
Mijn blik rustte op het raam, ik staarde. Ik staarde naar het raam, hopend dat mijn gedachten ooit werkelijkheid zouden worden. Mijn hand reikte naar een boek met een azuurblauwe kaft, maar stopte daar. Het boek zal voor mij altijd een mysterie blijven. Misschien wilde ik niet weten wat er in dat boek stond, zodat ik wist dat ik ooit op deze plek zou terugkeren, met een herinnering zo mooi. Ik liet mijn hand langs mijn lichaam hangen en draaide me om. Terug naar de realiteit, die me in de steek had gelaten.
maandag 4 juli 2011
kiezen, moeten, doorgaan
Van uitstel komt afstel
Zo ook met deze blogpost
Van uitstel komt druk
Zo ook met deze blogspost
Van afstel komt rust
Van druk niet
Dus eigenlijk kun je beter alles afstellen,
Maar dan kom je niet verder.
Maar waarom wil je verder?
Omdat het moet.
Ik denk er niet eens over na.
Doorgaan is moeten
Niet kiezen.
Ik kies ervoor niet te moeten
Ik moet ervoor kiezen om door te gaan.
Maar ik kies niet
Maar ik moet wel
zondag 3 juli 2011
Personages.
Rennen. Zo snel mogelijk. Rennen want het haalt ons in. Ik weet nog wat ik moet doen, ik heb dit eerder meegemaakt. Ik heb dit eerder gedroomd. Ik moet de garage vinden met de lichtgevende puntjes in de deurknop. Zodra we die deurknop aan zullen raken zal de schaduw zich terug trekken. We mogen het ons niet te pakken laten krijgen. Het zal ons meenemen naar een plek waar geen licht is. En niemand wil leven zonder licht, hoe mooi het donker soms ook kan zijn.
Voorbij de speeltuin, daar moeten we heen. Nog sneller rennen. Het is niet te doen, we zijn niet snel genoeg. Maar nee, dit is mijn droom en ik laat me niet vermoorden in mijn eigen droom. Ik verzin dit zelf, ik zal ook zelf de oplossing moeten vinden. In de verte zie ik de garage met de lichtgevende puntjes in de deurknop. Maar dat is nog te ver weg. Ik ren sneller en sneller tot ik niet meer kan. Iedereen heeft me verlaten, maar ik ren door. Tot ik de deurknop eindelijk aanraak. Op dat moment is de droom over en word ik wakker. Iedereen had me verlaten. Sommigen hadden misschien wel bewust voor het donker gekozen in plaats van het licht. Sommigen waren dit misschien al langer van plan. Ik kende de meeste mensen helemaal niet. Ze waren slechts personages voor deze ene droom, en zonder ze was de droom misschien eenzamer, maar ze blijven bestaan want het zijn personages. En als je niet bedenkt dat de door jou verzonnen personages dood gaan, gaan ze niet dood. Tenzij jij de schaduw zelf opzoekt, dan zullen ze met je mee gaan. Ze kunnen namelijk niet zonder je leven.
Op dinsdag stond het werk in de boekwinkel in het teken van Paul Goeken. De mannelijke schrijver die beroemd werd als vrouw en weer stierf als man. De meeste mensen kenden Paul onder de naam Suzanne Vermeer. Mensen kwamen mij vragen of de boeken van Paul goed waren. Sommigen vroegen daarna nog ‘en die van Suzanne, zijn die ook goed?’. Ik vind het apart hoe Paul zijn boeken als vrouw schreef. Hij schreef ook boeken als Paul zelf, maar die boeken waren lang niet zo populair. Suzanne was zijn succes. Maar Suzanne bestaat niet. Ik vind het niet makkelijk om te schrijven vanuit mannelijk oogpunt. Paul deed het in het dagelijks leven. Paul creëerde Suzanne en werd Suzanne. Maar ook al leefde Suzanne nooit echt, toch is ze samen met Paul overleden.
Ik heb persoonlijk nooit een boek van Paul gelezen. Wel van Suzanne. Maar ik maak er nu een uitdaging van om ook de boeken van Paul te lezen. Ik wil namelijk graag het verschil zien. Ik wil Suzanne en Paul als twee verschillende personen leren kennen via de boeken. Ik ben benieuwd of het me lukt.
Dit zijn twee compleet verschillende stukjes aan elkaar geplakt. Geloof het of niet, in mijn hoofd is het verband tussen de stukjes enorm groot. Ik besefte me dat alle mensen die in mijn droom doodgaan, niet echt dood gaan. Want ze bestaan niet. En toen las ik in de krant dat Paul Goeken overleden was. Maar volgens mijn theorie zou Suzanne dan doorleven, want ze bestaat niet dus kan ze niet echt doodgaan. Toch is er geen Suzanne zonder Paul. Net zoals de mensen in mijn dromen er niet zouden zijn zonder mij.
Mijn hoofd is een chaos en verwoorden wat er precies speelt in die chaos is best lastig, misschien ken je het wel.
Dit zijn twee compleet verschillende stukjes aan elkaar geplakt. Geloof het of niet, in mijn hoofd is het verband tussen de stukjes enorm groot. Ik besefte me dat alle mensen die in mijn droom doodgaan, niet echt dood gaan. Want ze bestaan niet. En toen las ik in de krant dat Paul Goeken overleden was. Maar volgens mijn theorie zou Suzanne dan doorleven, want ze bestaat niet dus kan ze niet echt doodgaan. Toch is er geen Suzanne zonder Paul. Net zoals de mensen in mijn dromen er niet zouden zijn zonder mij.
Mijn hoofd is een chaos en verwoorden wat er precies speelt in die chaos is best lastig, misschien ken je het wel.
vrijdag 1 juli 2011
Ik zie je
De afgelopen dagen bracht ik misschien wel meer uur door in de trein dan dat ik slapend in mijn eigen bed lag. En dat terwijl ik maar al te graag verkondig hoeveel ik ervan hou om te verdwijnen naar mijn droomwereld en het leven van die dag achter mij te laten.
Het geluk van student zijn en de eerste weken van de zomervakantie bestaat uit het gratis kunnen reizen. Een geluk waar je gebruik van moet maken, vind ik.
Laatst zat ik de trein, op één van de heetste dagen. De trein was vol en wij hadden het geluk een zitplaats veroverd te hebben. In tegenstelling tot vrijwel de helft van onze medereizigers. Halletjes waren gevuld met zoveel mogelijk mensen die in die kleine ruimte gepropt waren. In de gangpaden naast de stoelen stond een wiebelende massa dankzij het slingeren van de net vertrekkende trein. Er leek geen mens meer bij te passen, drama in het openbaar vervoer en de spitsuren is nooit een fijne reiscombinatie geweest.
De stoel tegenover mij werd ingenomen door een gehaaste man in pak. Man, jongeman, jongen, ik heb eigenlijk geen idee. Hij zou net twintig kunnen zijn, maar veertig is ook goed mogelijk. Leeftijden inschatten is nooit mijn sterkste punt geweest.
Druk was hij, na het instappen, bezig met zijn telefoon die hij even later wegstopte in de zak van zijn blouse. Hij liet zich achterover vallen in zijn stoel en veegde het zweet van zijn voorhoofd. De rest van de reis heeft hij zich vermaakt met het aandacht geven aan onze gesprekken. Hij luisterde mee, lachte om onze grapjes en vertelde mij dat hij ook wel heel veel zin had in macaroni met kaas.
Hij gaf ons aandacht, waarmee hij eigenlijk gelijk aandacht opeiste. Dat maakte hem anders dan het meisje wat voor station Utrecht zijn plaats ingenomen had. Haar koptelefoon had haar oren bedekt en haar ontwijkende blik die constant uit het raam staarde gaf aan dat ze zich af wilde sluiten van de wereld. Van de trein, van de aandacht.
Ik begon me af te vragen wat aandacht was. Wanneer iemand aandacht wil en wanneer juist niet. Is het zo duidelijk te zeggen, dat als iemand zich door muziek en het niet maken van oogcontact afsluit, die persoon het liefst niet gezien wil worden? Of werkt dat anders?
Bij mij werkt het niet zo, denk ik. Het liefst word ik gezien, soms. In de trein duik ik graag helemaal weg, maar ik weet van mezelf dat ik het fijn vind als anderen toch door hebben dat ik daar zit en iets over mij denken. Anonieme aandacht vind ik fijn. Leven in hoofden en gedachten van vreemden.
Er zijn wel dagen dat ik me het liefst afsluit van de bekende wereld. Facebook gebruik ik alleen om te lezen, smsjes negeer ik en als ik iemand tegenkom op straat zeg ik dat ik de trein moet halen. Aandachtsloos leven, wil ik dan.
En dan, als het stil is en het voor iedereen duidelijk lijkt te zijn dat ik liever alleen ben, slaat het om. Ik wil aandacht, ik zoek aandacht en ik eis aandacht. In stilte, want vragen durf ik niet.
Het kan mij frustreren, dat het zo complex werkt en het altijd iets is geweest wat ik niet snap. Waarom wil ik geen aandacht als ik het krijgen kan, waarom verlang ik naar de aandacht wanneer het eindelijk verdwenen is?
Hoe werkt dit bij andere mensen? Wilde het meisje in de trein stiekem toch wel gezien worden? Had de medereiziger die ook zin had in macaroni net een periode zonder aandacht gehad, of hield hij gewoon altijd van aandacht? En wat is aandacht eigenlijk? Wanneer is het eindelijk eens genoeg?
(het spijt me dat het eigenlijk geen donderdag meer is. en dat het een afgeraffeld en lang stukje is. ik beloof de volgende keer beter te zijn. merci voor uw begrip.)
Het geluk van student zijn en de eerste weken van de zomervakantie bestaat uit het gratis kunnen reizen. Een geluk waar je gebruik van moet maken, vind ik.
Laatst zat ik de trein, op één van de heetste dagen. De trein was vol en wij hadden het geluk een zitplaats veroverd te hebben. In tegenstelling tot vrijwel de helft van onze medereizigers. Halletjes waren gevuld met zoveel mogelijk mensen die in die kleine ruimte gepropt waren. In de gangpaden naast de stoelen stond een wiebelende massa dankzij het slingeren van de net vertrekkende trein. Er leek geen mens meer bij te passen, drama in het openbaar vervoer en de spitsuren is nooit een fijne reiscombinatie geweest.
De stoel tegenover mij werd ingenomen door een gehaaste man in pak. Man, jongeman, jongen, ik heb eigenlijk geen idee. Hij zou net twintig kunnen zijn, maar veertig is ook goed mogelijk. Leeftijden inschatten is nooit mijn sterkste punt geweest.
Druk was hij, na het instappen, bezig met zijn telefoon die hij even later wegstopte in de zak van zijn blouse. Hij liet zich achterover vallen in zijn stoel en veegde het zweet van zijn voorhoofd. De rest van de reis heeft hij zich vermaakt met het aandacht geven aan onze gesprekken. Hij luisterde mee, lachte om onze grapjes en vertelde mij dat hij ook wel heel veel zin had in macaroni met kaas.
Hij gaf ons aandacht, waarmee hij eigenlijk gelijk aandacht opeiste. Dat maakte hem anders dan het meisje wat voor station Utrecht zijn plaats ingenomen had. Haar koptelefoon had haar oren bedekt en haar ontwijkende blik die constant uit het raam staarde gaf aan dat ze zich af wilde sluiten van de wereld. Van de trein, van de aandacht.
Ik begon me af te vragen wat aandacht was. Wanneer iemand aandacht wil en wanneer juist niet. Is het zo duidelijk te zeggen, dat als iemand zich door muziek en het niet maken van oogcontact afsluit, die persoon het liefst niet gezien wil worden? Of werkt dat anders?
Bij mij werkt het niet zo, denk ik. Het liefst word ik gezien, soms. In de trein duik ik graag helemaal weg, maar ik weet van mezelf dat ik het fijn vind als anderen toch door hebben dat ik daar zit en iets over mij denken. Anonieme aandacht vind ik fijn. Leven in hoofden en gedachten van vreemden.
Er zijn wel dagen dat ik me het liefst afsluit van de bekende wereld. Facebook gebruik ik alleen om te lezen, smsjes negeer ik en als ik iemand tegenkom op straat zeg ik dat ik de trein moet halen. Aandachtsloos leven, wil ik dan.
En dan, als het stil is en het voor iedereen duidelijk lijkt te zijn dat ik liever alleen ben, slaat het om. Ik wil aandacht, ik zoek aandacht en ik eis aandacht. In stilte, want vragen durf ik niet.
Het kan mij frustreren, dat het zo complex werkt en het altijd iets is geweest wat ik niet snap. Waarom wil ik geen aandacht als ik het krijgen kan, waarom verlang ik naar de aandacht wanneer het eindelijk verdwenen is?
Hoe werkt dit bij andere mensen? Wilde het meisje in de trein stiekem toch wel gezien worden? Had de medereiziger die ook zin had in macaroni net een periode zonder aandacht gehad, of hield hij gewoon altijd van aandacht? En wat is aandacht eigenlijk? Wanneer is het eindelijk eens genoeg?
(het spijt me dat het eigenlijk geen donderdag meer is. en dat het een afgeraffeld en lang stukje is. ik beloof de volgende keer beter te zijn. merci voor uw begrip.)
donderdag 30 juni 2011
Schapen
Waarom is het zo fijn om met je ogen dicht naar de zon te staren? En dan je ogen een klein beetje open doen, zodat je net zoveel licht binnen krijgt dat de wereld er ineens heel mooi uitziet. Misschien is het nog wel veel mooier om met je ogen open naar de zon te staren. Alleen zo jammer dat dat voor je ogen niet zo goed af loopt. Maar ach, ik zeg al jaren dat ik liever blind zou zijn dan doof, misschien moest ik het maar eens proberen. Gelukkig ben ik niet alleen, Eddie Vedder had het er achttien jaar geleden al over.
En wat is er zo interessant aan vliegtuigen? Altijd als ik een vliegreis maak kom ik thuis met vele kantjes vol aan teksten. Inspiratie krijg ik daar, zo in de lucht. En ik heb geen idee waarom. Een vliegtuig is in wezen een heel onpoëtisch object. Een stalen kooi, heel onromantisch uitgedrukt. Maar wel eentje waarmee je kan vliegen, iets waar de mensheid al eeuwen een obsessie voor heeft. Blijkbaar ben ik niet anders. Terwijl ik toch van iedereen hoor dat ik apart ben. Interessante gedachte.
Dit soort dingen vraag ik me dan af op een dag als vandaag. En of het iets over mij zegt dat ik afwisselend droom over puppy's verdrinken en de wereld moeten redden. Ik maar denken dat het best wel goed met mij gaat.
Gaan slapen of nog even wakker blijven?
Tevreden zijn met wie je bent, of juist jezelf ten goede proberen te veranderen?
Er op af stappen, of rustig afwachten?
Zouden schapen muren kunnen bouwen?
De grote raadsels van het leven zullen wel nooit opgelost worden
woensdag 29 juni 2011
Geluk
Ik denk vaak dat alles gaat zoals het gaat omdat alles gebeurd voor een reden. Dat ik vanavond besloot niet voor de laatste keer de bergen in te klimmen maar nog een keer een tijdje op het strand over de zee uit te staren is daar een voorbeeld van. Het regende de hele dag maar nu was het prachtig, mooi stil water en er daalde een rust op me neer die ik de hele dag, de hele week nog niet gevoeld had. Natuurlijk keek ik of jij er was, maar omdat je nergens te bekennen was en je ook maar heel zelden aan het oppervlak komt verwachtte ik het niet echt. En het voelde ook al goed zonder dat je er bij was.
Ik weet nog heel erg goed hoe ik me voelde toen je je voor de eerste keer aan me liet zien. Intense vreugde en een gevoel wat ik niet zo goed kon plaatsen. Ik denk dat het twee maanden geleden was, al voelt het meer als duizend dagen. Toen ik je zag vulde ik netjes alle clichés in en stopte ik eventjes met ademen, omdat ik dat gewoon vergat. Het duurde niet lang en toen je weg was ging het gewone leven weer door. Alsof je er nooit was geweest. Maar vanaf dat moment voelde alles specialer. Mijn hele reis, mijn avontuur werd in een klap de moeite waard. En nu sta ik aan de vooravond van het einde van mijn avontuur en zijn de dagen met jou nog steeds de dagen die me het meest bij staan.
Zoals die dag dat ik in de ijskoude Noorse zee dook en jij een paar honderd meter verderop een stukje met me mee zwom. Ik kon wel verdrinken van geluk. Aan dat moment dacht ik toen ik daar zat, op het strand, alles voor de laatste keer in me op nemend voor de koude momenten straks in Nederland, om het gevoel weer op te kunnen halen.
Ik was op zoek naar het geluk en ik dacht dat ik het niet had gevonden. Maar toen ik opstond en weg liep over het strand, nog een blik werpend op waar jij zou kunnen zijn en ik je gitzwarte lijfje boven het water uit zag komen wist ik dat ik het mis had en het gevoel wat ik eerder niet kon plaatsen geluk was geweest. Je was er, alsof je aanvoelde dat het de laatste keer zou zijn. Alles gebeurd voor een reden.
Dankjewel mijn walvisvriendje, ik ga jou het meeste missen.
Ik weet nog heel erg goed hoe ik me voelde toen je je voor de eerste keer aan me liet zien. Intense vreugde en een gevoel wat ik niet zo goed kon plaatsen. Ik denk dat het twee maanden geleden was, al voelt het meer als duizend dagen. Toen ik je zag vulde ik netjes alle clichés in en stopte ik eventjes met ademen, omdat ik dat gewoon vergat. Het duurde niet lang en toen je weg was ging het gewone leven weer door. Alsof je er nooit was geweest. Maar vanaf dat moment voelde alles specialer. Mijn hele reis, mijn avontuur werd in een klap de moeite waard. En nu sta ik aan de vooravond van het einde van mijn avontuur en zijn de dagen met jou nog steeds de dagen die me het meest bij staan.
Zoals die dag dat ik in de ijskoude Noorse zee dook en jij een paar honderd meter verderop een stukje met me mee zwom. Ik kon wel verdrinken van geluk. Aan dat moment dacht ik toen ik daar zat, op het strand, alles voor de laatste keer in me op nemend voor de koude momenten straks in Nederland, om het gevoel weer op te kunnen halen.
Ik was op zoek naar het geluk en ik dacht dat ik het niet had gevonden. Maar toen ik opstond en weg liep over het strand, nog een blik werpend op waar jij zou kunnen zijn en ik je gitzwarte lijfje boven het water uit zag komen wist ik dat ik het mis had en het gevoel wat ik eerder niet kon plaatsen geluk was geweest. Je was er, alsof je aanvoelde dat het de laatste keer zou zijn. Alles gebeurd voor een reden.
Dankjewel mijn walvisvriendje, ik ga jou het meeste missen.
de geraniumkweker.
Als ik ergens gek van wordt, dan is het dit wel. Wie kent het niet? Op een willekeurige ochtend sta je, brak van de voorgaande avond (die begon met ‘Ik blijf maar heel even..’), met barstende koppijn en wellicht een beetje stinkend in de rij bij de bakker. Het is vroeg, en jij ben de enige uit je leeftijdsgroep die al wakker is. Je verrekt van de honger en om je heen is de gemiddelde leeftijd minstens 70 jaar.
Situatie duidelijk? Prima.
Daar sta je dan. Nummertje 58, nog 2 wachtende voor me, het leven is mooi: ik ben enkele minuten verwijderd van m'n sigaretje op de terugweg naar huis, waar ik een monsterboterham kan gaan eten.
Maar op de bakkersvloer is niets zoals het lijkt. De normaal gesproken rustige, aardige en vredelievende dames veranderen in doorgewinterde ninja’s zodra ze de bakkerij betreden: De 2 wachtende voor me, zijn opeens 3 wachtende geworden. Knipperen met mijn ogen helpt niet, ik weet zeker dat ik weer nuchter ben en van honger ga je niet hallucineren. Dit is dan weer een van de dingen die ik absoluut niet snap: je hebt de hele dag niets beters te doen dan je geraniums water te geven, je enkelbijtertje uit te laten terwijl ik probeer te slapen en de hele dag je hoofd te schudden waarbij je ‘de jeugd van tegenwoordig..’ mompelt. Wat doe je dan bij de bakker? Juist. Voordringen.
Het zijn altijd dezelfden die daar een soort van sport van maken. Je mag bij de club als je de 65 gepasseerd bent. Daar sta je dan, met je studentenleven. Overdosissen aan tentamens, verslagen schrijven, schooluren en werk, waardoor het vrijwel onmogelijk is om met je vrienden te begaaien, je vriendin te bezoeken of te repeteren. Blijkbaar ben ik minderwaardig aan de geraniumkweker.
Ik probeer er meestal wel wat van te zeggen, maar dan krijg ik een quasionschuldig glimlachje of ze gapen schaapachtig voor zich uit, alsof er niets aan de hand is, wat weer aangeeft dat ze weten dat ze foutzitten. Dan zeg ik er wat van, tot grote ergernis van het bakkersmeisje.. Zij wil alleen de klant helpen, maar moet nu onpartijdig de discussie afwachten over wie waarom aan de beurt was.
De ninja in damesverpakking weigert toe te geven dat ik voor was, ook al is ze in het bezit van nummertje 63, wat me nog vervelender maakt. Na een boze blik zeg ik op luide toon tegen het bakkersmeisje: ‘Helpt u deze mevrouw maar eerst. Zo te zien heeft ze verschrikkelijk veel haast met haar oh-zo-interessante leven, waar ieder moment een einde aan kan komen.’
Verontwaardigde gezichten, en de gebruikelijke ‘Heere Jezus, de jeugd van tegenwoordig toch!’ worden mijn kant op gesmeten. De dame in kwestie is beledigd, maar staat nu wel achter me. Ik bestel mijn halfje bruin, glimlach vriendelijk naar het bakkersmeisje en loop de deur uit.
Mijn sigaret smaakt zelfs beter dan verwacht.
dinsdag 28 juni 2011
Het vinden van een schat
Ken je dat? Schatzoekertje spelen? Woelen en graven tussen de bosjes, in de struiken en op stukjes gras, in de hoop dat je een heuse schat vind? Vandaag zag ik twee kinderen die hun schat hadden gevonden. Ze waren aan het juichen en omhelsden elkaar. Overal over hun kleine lijfjes zat modder, hun witte broeken waren groen geworden. Het geluk straalde van alle kanten van de twee kinderen af.
Het meisje rende naar mij toe en liet hun schat aan me zien. Een stukje van een koperen pijp, een tussenstuk. Voor hun was het goud, het meisje zou bergen kleren gaan kopen, het jongetje zou een stoere Ferrari kopen.
Met een glimlach op mijn gezicht fietste ik verder. Het had me wel aan het nadenken gezet.
Zijn we eigenlijk niet allemaal op zoek naar een schat? Iets wat we meer dan alles willen, waar we alles voor over zouden hebben. Voor die twee kinderen die aan het schat zoeken waren, was dat kleine stukje van een koperen pijp iets waardevols. Iets waardoor hun dag niet meer stuk zou kunnen, ze waren de wereld te rijk.
Na dat je deze basisschool periode voorbij bent, zijn we niet meer gelukkig met een klein stukje koperen pijp. We willen alles wat ons hartje begeert, dan zijn we pas optimaal gelukkig. We hebben geld, liefde en volledige gezondheid nodig. En misschien nog wel duizend andere aspecten. Eigenlijk moeten we met iets kleins al gelukkig zijn, en de waarde van dat kleine beetje kunnen waarderen.
Mooie woorden, maar zelf moet ik deze dingen nog in praktijk brengen. Vandaag was ik misschien wel eventjes gelukkig. Tentamens die goed gingen, de zon die op mijn huid scheen. Als we de kleine dingetjes in het leven leren te waarderen, dan zullen de grote dingen vanzelf volgen. Hopen we dan maar.
Geniet van de zon, voor zo lang die nog blijft schijnen!
Tamara
Het meisje rende naar mij toe en liet hun schat aan me zien. Een stukje van een koperen pijp, een tussenstuk. Voor hun was het goud, het meisje zou bergen kleren gaan kopen, het jongetje zou een stoere Ferrari kopen.
Met een glimlach op mijn gezicht fietste ik verder. Het had me wel aan het nadenken gezet.
Zijn we eigenlijk niet allemaal op zoek naar een schat? Iets wat we meer dan alles willen, waar we alles voor over zouden hebben. Voor die twee kinderen die aan het schat zoeken waren, was dat kleine stukje van een koperen pijp iets waardevols. Iets waardoor hun dag niet meer stuk zou kunnen, ze waren de wereld te rijk.
Na dat je deze basisschool periode voorbij bent, zijn we niet meer gelukkig met een klein stukje koperen pijp. We willen alles wat ons hartje begeert, dan zijn we pas optimaal gelukkig. We hebben geld, liefde en volledige gezondheid nodig. En misschien nog wel duizend andere aspecten. Eigenlijk moeten we met iets kleins al gelukkig zijn, en de waarde van dat kleine beetje kunnen waarderen.
Mooie woorden, maar zelf moet ik deze dingen nog in praktijk brengen. Vandaag was ik misschien wel eventjes gelukkig. Tentamens die goed gingen, de zon die op mijn huid scheen. Als we de kleine dingetjes in het leven leren te waarderen, dan zullen de grote dingen vanzelf volgen. Hopen we dan maar.
Geniet van de zon, voor zo lang die nog blijft schijnen!
Tamara
zondag 26 juni 2011
de boom
Dit is zo’n moment waarop ik te hard nadenk. Ik moet de toon zetten voor dit blog. Te hard nadenken werkt nooit, eigenlijk.
Op dit moment zit ik op mijn bed, zoals altijd. Met een joggingbroek, zoals heel vaak. Vanuit mijn bed kan ik door het raam naar de eik kijken. Hij staat er al vele malen langer dan dat ik hier ben. Tijdens de regenbuien van de laatste tijd wiegde hij steeds wat meer heen en weer.
Ik heb een ding voor bomen. ‘een ding’ betekent hier een liefde voor bomen. Bomen zijn net mensen. Ze groeien op en staan soms in bloei en soms zijn ze sober. Wanneer ze dood gaan rotten ze weg.
Er is geen verdrietiger moment dan een grote stevige boom zien bezwijken. Toen ik klein was verbouwden wij ons huis. Als klein meisje vond ik dat geweldig. Overal was wel wat te vinden: een schroefje of wat overgebleven cement om een huisje van te bouwen.
Het enige verschrikkelijke was het lot de grote kastanjeboom. De kastanjeboom waar ik vele woensdagmiddagen mijn springtouw aan vast knoopte en de hele middag sprong, moest weg. Ik protesteerde hevig tegen mijn vader met de kettingzaag en zei dat ik dan liever een kleine kamer had, maar mijn stemmetje werd niet gehoord.
De boom ging om door middel van een touw om zijn ‘buik’ en mijn vader die zijn ‘benen’ doorzaagde. Ik, als zesjarig meisje, riep dat ze moesten stoppen en ik huilde dikke zoute tranen, maar het was al gedaan met de boom. Ik was verdrietig en boos. Waarom wouden papa en mama een groter huis? De boom woonde daar al!
Het moment dat de eik, waar ik nu naar kijk, het begeeft zal denk ik wel anders zijn. Die sterft aan ouderdom, kastanje werd vermoord.
Ik zit nu precies één etage hoger dan waar ooit een klein zaadje leven vatte, om vervolgens een grote sterke kastanjeboom te worden. In principe zou ik, wanneer ik op dit zelfde plekje zou zitten toen ik zes jaar was geweest, in een boom zitten.
Abonneren op:
Posts (Atom)