maandag 19 december 2011

Koude dagen

We hadden gedroomd over lange sneeuwwandelingen, maar je overleed voordat de winter begonnen was. Het was het enige seizoen dat we niet samen meegemaakt hadden.
Ik dacht aan die keren dat we door de gure herfstwind wandelden, met onze ogen dicht en alleen maar denkend en pratend over wat we zouden doen wanneer de wereld wit zou zijn. Ik dacht aan onze plannen, aan onze dromen en hoopte dat ze zouden bevriezen onder die dikke laag ijs die de vijvers bedekte. Ik wilde ze niet kwijtraken. Niet vergeten, nooit vergeten.

Op de ochtend van je begrafenis keek ik uit het raam en was de hele grond bedekt met een dikke, witte laag sneeuw. Het zag er zacht uit, maar een enkele weg van voetsporen was er te vinden. De rest was onbelopen, haast maagdelijk wit.
Meer dan een uur stond ik stil voor het raam te kijken hoe de kleine donzen vlokjes naar beneden dwarrelden. Het sneeuwde en de hele wereld wist ervan. Behalve jij.

(het is best wel dramatisch dat afgelopen week het toffe-mensen-dieptepunt was; maar 5 berichten, het minste ooit)

Ik denk dat dit een soort van sprookje is

Zijn zevenmijlslaarzen, die zijn voeten omlijsten als een romantisch schilderij van een obscure kunstenaar, dwaalden af van het vertrouwde pad. Misschien wilde hij wel verdwalen met zijn gitaar op zijn rug, de wereld betoveren met zoetzure muziek. Hij wist niet waarheen, hij wist wel waarom. Hij wist dat de wereld groter was dan hij ooit had durven dromen en dat zelfs de zee soms zoet is. Het was koud –de wereld leek te bevriezen- toen hij begon met zoeken naar een betoverende plek die nog nooit bezongen was, zelfs niet in het mooiste lied.

Het was winter en zijn laarzen knisperden in de verse witte sneeuw, het klonk als muziek. In zijn oren klonk alles als muziek; zelfs zijn eigen gepruttel en het schurende geluid van handen langs zijn baard. Zijn baard, ja zijn overweldigende mythische baard. De restjes van zijn eten kon hij ruiken in zijn baard, de restjes voor zijn eten kon hij vinden in zijn baard. Zijn baard was al in vele verhalen beschreven maar nog nooit was de pracht van zijn harige kin gevangen in taal: alle woorden leken zo futiel en leeg.

Overal waar hij kwam hingen de mensen aan zijn behaarde lippen en dansten de witte nacht door. Tijdens zijn zoektocht kwam hij langs enorm veel verschillende stammen, de een nog kleurrijker en wonderlijker dan de andere. Zo zag hij een stam waar ze hun huid vervingen door bladeren, waardoor iedere herfst iedereen van verdriet uit elkaar viel. In de winter plantten ze hun hart in de koude aarde, het was daarom dat hij de wereld hoorde praten. En een stam waar ze geloofden dat struisvogels heilig zijn en daarom iedere zondag hun hoofd begroeven. En een stam waar alle meisjes, tot zijn grote plezier, op zijn geliefde gitaarriedeltjes naakt ronddansten, met vrolijk geverfde navels en papegaaienveren in hun haar.

Op een dag kwam hij aan bij een stam zonder haar, alle mannen en vrouwen waren prachtig kaal. Nog nooit had hij mensen zo naakt en puur gezien, hun spierwitte huid leek licht op te slurpen; het was een wonderbaarlijk gezicht. Zijn zevenmijlslaarzen zetten voorzichtig de eerste stapjes binnen de stam, hij had zich nog nooit zo harig gevoeld. De mensen wisten niet wat ze zagen, ze renden blootvoets op hem af en aaiden zijn ruwe baard. En aangezien ze niet konden praten gebruikten ze hun blote onbeschreven lichamen als schilderdoek. Ze beschilderden hun kin in de meest fantastische kleuren, een baard van verf; het was een wonderbaardlijk gezicht.

Ze hadden nog geen woord met elkaar gewisseld, voor die ene avond waarop hij de volste maan bezong met zijn liederen. Hij had zijn gitaar tevoorschijn getoverd en speelde riedeltjes vol verlangen en levenslust. Plots begonnen de mannen van de stam met hun voeten op de aarde te trappelen en de vrouwen slingerden kreten de lucht in. Onverstaanbaar, maar oh zo mooi en fabelachtig. De klanken galmden door in de balzalen van zijn hoofd, zwierden rond met zijn gedachten en twistten met zijn dromen. Zoiets had hij nog nooit gehoord, zo puur, zo onbedorven. Eindeloos speelde hij door en zijn muziek mengde zich steeds verder met aardse klanken. Het timbre van het ondermaanse.

De wereld smolt weg onder zijn voeten, hij was volmaakt gelukkig en de prille lente verving de ooit zo witte sneeuw. Zijn zevenmijlslaarzen voerden hem met flinke passen richting zijn huis. Eenmaal thuis vertelde hij zijn verhalen aan alle oren die zich spitsten en ving hij de mythische woorden in wonderlijke muziek. Zelfs de zee is soms zoet.

zaterdag 17 december 2011

The road not taken

Een gedicht van robert frost. omdat ik zelf geen tijd en zin heb. joe
  Two roads diverged in a yellow wood, 
And sorry I could not travel both 
And be one traveler, long I stood 
And looked down one as far as I could 
To where it bent in the undergrowth;        
  
Then took the other, as just as fair, 
And having perhaps the better claim 
Because it was grassy and wanted wear; 
Though as for that, the passing there 
Had worn them really about the same, 
  
And both that morning equally lay 
In leaves no step had trodden black. 
Oh, I marked the first for another day! 
Yet knowing how way leads on to way 
I doubted if I should ever come back. 
  
I shall be telling this with a sigh 
Somewhere ages and ages hence: 
Two roads diverged in a wood, and I, 
I took the one less traveled by, 
And that has made all the difference.        

donderdag 15 december 2011

Dillema

Zouden schapen een iglo kunnen bouwen?

Ik loop op de zaken vooruit, het sneeuwt nog helemaal niet. Excuses.

maandag 12 december 2011

Terug van weggeweest

Mijn leven is een grote chaos. Ik loop achter met school, mijn sociale leven valt uiteen en mijn relatie vertoont scheuren.
Eten en concentreren lijkt vrijwel onmogelijk.

Dat komt door mijn hoofd en mijn hart.

Ze zijn verward en weten niet wat ze doen moeten.
Ze zijn bang wanneer de telefoon gaat of een geluidje van msn.
Ze zijn bang voor keuzes die ze moeten maken, want geen enkele lijkt de juiste.

Ik wil slapen, maar het lukt me niet.


Ik wil slapen.

-

 Dit schreef ik een tijdje terug. Ik heb door de toetsweek helaas geen tijd om iets nieuws te schrijven.

Anna. Dat is mijn naam. Drieëntwintig jaar alweer. Ik heb duizend en één hobby’s, van filmen tot schrijven, van zwemmen tot schilderen, van naaien tot koken. Ik werk niet, ik studeer niet, maar ik geniet. Want ja, dat is toch wel het beste dat je kunt doen in je leven Ik ga niet die paar jaar die ik heb in dit stukje universum verspillen aan werken of studeren. Sommigen zeggen dat je na werken kunt genieten. Maar wat nou als je dan niet meer kan genieten? Dan heb je jouw kostbare leven verspild aan alleen maar werken. Daarom geniet ik van elk moment. Of het nou het bestrooien van mijn geroosterde boterham met pure hagelslag is of de geur van pas gewassen beddengoed, ik vind het allemaal heerlijk. Ik plan ook niet. Met plannen verspil je jouw kostbare leventje net zoveel als met werken. Waarom zou ik vandaag al willen weten of ik over drie weken op een dinsdag om 5 over half 1 met de buurvrouw ga lunchen? Wat heeft dat nou voor een zin? Ik laat het gewoon allemaal op me afkomen. Als ik ’s ochtends wakker word en geen zin heb om op te staan, blijf ik de hele dag in mijn bed liggen. Geen afspraak, geen lunch, geen filmavondje waarvoor ik op tijd moet zijn. Op andere dagen kook ik een heel diner, niet alleen voor mezelf, maar voor iedereen die zin heeft om te komen eten. Soms, maar ook alleen wanneer ik daar zin in heb, loop ik naar het station en pak de eerste beste trein, niet wetend waar ik naartoe ga. Heerlijk vind ik dat, uitstappen in een dorpje waar ik in al die drieëntwintig levensjaren nog nooit van heb gehoord. Nieuwe dingen ontdekken, nieuwe mensen leren kennen en dan vooral genieten. Genieten van mijn broodje tonijnsalade, terwijl ik op een bankje kijk naar mensen, pratende mensen, lachende mensen, haastende mensen. Dit is leven.
Misschien krijg ik over een jaar wel een auto-ongeluk of sterf ik op mijn 35e aan een hartstilstand. Dan zullen mensen zeggen dat ik niks aan mijn leven heb gehad, dat ik niks geleerd heb, dat ik geen carrière heb gemaakt, dat ik mijn leven heb verspild aan niksdoen. Integendeel, ik heb iets met mijn leven gedaan, ik heb genoten, ik heb mijn leven niet verspild aan een glansrijke carrière, die tonnen geld opbrengt maar geen geluk of aan een jarenlange studie, waar je niks aan hebt, omdat het toch niet helemaal je ding is. Ik kan zeggen dat ik alles heb gedaan wat ik wilde doen, dat ik gelukkig ben geweest. Want daar draait het uiteindelijk allemaal om. Gelukkig zijn.

zondag 11 december 2011

Cerastoderma edule


Vroeger was je eens in een spiegelpaleis op een treurige kermis in Oostende geweest, vertelde je me. Je had  je van je moeders zachte hand losgeweekt en rende vluchtig door de gangen, die behangen waren met wel honderden spiegels. Uren had je er rond gerend, of misschien minuten, je wist het niet, en je had je verbaasd over het jongetje dat je achtervolgde. Zijn bruine haren hingen voor zijn ogen en hij lachte als jij lachte. En vond je grappen net zo grappig als dat je ze zelf vond. Je was troosteloos geweest toen hij, je enige vriendje, zomaar was verdwenen toen je uit het paleis stapte. Jaren later besefte je pas dat je het zelf was, het was toen je zijn blik herkende in de jouwe. Zonder na te denken had je je hoofd tegen de spiegel aan gegooid om te kijken of je vriendje ook pijn had, het bloed liep van jullie hoofd. Dit was de eerste keer dat je met jezelf botste.

Je wist niet waarom je me dit vertelde, mijn vingers slingerde over het litteken op je gezicht. Mijn lichaam rolde ik vanuit je armen op het jouwe. Nog nooit had ik iemand zo dichtbij gelaten zonder bang te zijn alles kwijt te raken. Bij iedere ademtocht vloog ik een klein stukje de lucht in, het leek alsof ik heel even zweefde en na iedere vogelvlucht landde ik in je dekens. We trokken de dekens over onze hoofden en zochten elkaars ogen in het donker. Ik telde de keren dat je knipperde, de keren dat je mijn haar uit mijn gezicht streek omdat ze mijn mond verstopte, de keren dat ik geloofde dat ik mooi was.

Met mijn lippen op de jouwe gedrukt vertelde ik je over de schelp op de zolder van mijn tante. De schelp, een cerastoderma edule, of gewoon een roestbruine kokkel, hield ik tegen mijn rechteroor aan. En dan hoorde ik mijn opa tegen me praten, ik had zijn stem nooit gehoord, maar wist zeker dat hij klonk als het geruis van het strand. Met golven aan woorden vertelde hij me verhalen die ik al eerder van mijn vader hoorde, over foto’s van koeien en vlekken die overliepen in wolken. Op een woensdagmiddag was ik naar de zolder van mijn tante toegerend, holde alle zevenendertig traptreden op en zocht naar de schelp tussen de knopen in het laatje van de naaimachine. Weg. In paniek rende ik naar beneden en vroeg waar ze de schelp gelaten had. Ze keek me niet-begrijpend aan en zei dat ze hem had weggegooid toen ze haar zolder opruimde, het was maar een gewone kokkel. Ik had gehuild tot mijn tranen op waren, ze smaakte naar de zee. 

Dit is een klein stukje van het langste wat ik ooit schreef, de rest hou ik fijn voor mezelf. En ik weet dat ik te laat was maar gister was ik te druk met hele fijne dingen, dus dan mag het. Doeeei doei. 

zaterdag 10 december 2011

breken

Ik weet heus wel dat banden tussen mensen vervagen
langzaam verdwijnen
misschien wel nooit echt bestaan.

Ik weet heus wel dat ik er niet voor kan zorgen dat iedereen altijd hier blijft
om me heen
altijd blijft bestaan.

Waarom word ik dan zo teleurgesteld
als ik in de toon van haar stem een bevestiging hoor
dat het vervaagt
langzaam verdwijnt
terwijl ik bijna zeker weet dat het wel bestond.

Ik vind vriendschap een lastig iets en ik kan er niet zo goed tegen
dat ik mensen los moet laten
dat ik zelf los week
weg van de mensen
van de banden
van de herinneringen 

Beste vriend.
Je leest dit. 
Je vindt dit gezeur.
Ik ken je.
"Hou op alsjeblieft" of "seriously?".

Nee. Of ja.
Want het vervaagt zeker als die bevestigende toon blijft.

vrijdag 9 december 2011

Gaten in jouw bewustzijn
zullen je brengen naar het licht.
Verkort je levenslijn, ik zie 
het verlangen op je gezicht.

Geen genoegen neem jij
met het leven,
Het is je allemaal iets
te veel.

Maar laat je minuten niet
verspillen
Door het denken
aan wat jij wil. 

donderdag 8 december 2011

Naakt,

zonder kleren aan stond ik op de koude tegels van de badkamer te kijken naar het water dat de kraan uit liep. Mijn haren kriebelden langs de bovenkant van mijn borsten en ik wist dat als jij mij nu zou zien je zou zeggen dat ik mooi was. Ik wist ook dat jij mij nooit zo zou zien. En dat je al lang gezegd had dat ik mooi was.
Schuim dwarrelde de lucht in, alsof het sneeuwvlokjes waren die de verkeerde kant op gingen.
Alles was zo ingewikkeld.
Ik keek naar de toren van schuim die zichzelf bouwde in het bad. Ik had geen flauw idee waarom ik alleen maar stond toe te kijken en niet het water om mijn lichaam liet sluiten. 
Soms zou ik willen dat iemand mij naakt zag. Dat iemand in mijn hoofd kon kijken, alsof mijn gedachten geschreven woorden waren die alleen maar opgelezen konden worden. Stormen van woorden op een lijntjespapier, zonder verstopte betekenissen en verdwenen achterliggende gedachtes. Alleen maar wat ik dacht, nog begrijpelijker dan het nu voor mij is.
Of  dat iemand mijn lichaam kon zien zoals het echt is, ribben en borsten en kleine moedervlekken op mijn rug. Bruin, als verstopte vlekjes nutella tussen de bergen van mijn schouderbladen. En dat ik daar dan gewoon kan staan en mezelf kan zijn, terwijl iemand anders zag wie ik echt was.
Naakt, alles naakt. Van mijn wiebelende tenen, langs mijn puntige schouders tot de kleinste gedachtes die anders altijd alleen maar in mijn hoofd zullen blijven zitten.

(hoi, ik schreef dit laatst in mijn boekje toen ik in bad zat en nu werkte ik het uit. en ik ben niet tevreden, maar ik wil alleen maar lezen en slapen, dus jullie moeten hier maar wel tevreden mee zijn. au revoir.)

Schrijfseltjes

Ik zit tegenwoordig niet zo vaak meer in de trein, maar als ik er dan toch in zit kan ik net zo goed gaan dichten, toch?

 Terugblik

Wolken, zwart en grauw ineen

En regen, vochtig, fris
Knallen, flitsen, nooit alleen
'Het geeft niet' zoals je zegt
Want na donder en bliksem
Ben ik op mijn best

Zaterdagochtend niet

Eerst, niet laatst
Barsten in mijn hoofd
Wanhoop op mijn tong
'Het maakt niet uit' lach je weg
Met nadorst en zelfspot
Ben ik op mijn best

Sterf ik alleen?

Oud en krom, tragisch
Voor mijn tijd?
Dat is, denk ik, niet
Helemaal mijn ding

'Stil maar' fluister je toe

'Alles komt goed'


Bij Wijze van Spreken 
‘De klok verwijt de klepel
dat ie zwart ziet!’
Bijt ze hem toe
‘Stil’ antwoordt hij
‘je weet niet wat je zegt’
‘Kan ik er wat aan doen’
Brult ze terug
‘Je ziet door de bladeren
De herfst niet meer’
Oog om oog, tand om tand
Woord om woord, zoals dat gaat
Zo antwoordt hij, misschien te laat
‘Brul wat je wil, blaf maar raak
Schreeuwende honden grommen niet’

Tragisch, miscommunicatie



woensdag 7 december 2011

Het wonderlijke leven van jacky fontanel *****

Wat: Een boek
Van wie: Kasper van Kooten
Waarom: Ik kreeg het van sinterklaas
De echte?: Nee mijn tante maar ssht

Oke ik weet dat we ooit, zo'n 30 weken geleden, afspraken dat we geen recensies zouden schrijven, maar ik dacht dit is een boek dus dat mag vast wel. En dit is in de recensiekoning na-aper stijl dus dat maakt het lame maar voor mij heel erg leuk dus jullie moeten er maar mee leren leven.
Goed, om maar bij het begin te beginnen; een aantal weken geleden moest ik het altijd verdoemde verlanglijstje opsturen, en bij gebrek aan inspiratie vroeg ik om een boek. Zomaar een boek, het liefst van een Nederlandse schrijver. Mijn tante stond in een boekenwinkel op zoek naar een boek voor mij, zag een advertentie waar op stond: om half 4 komt Kasper van Kooten signeren. Op dat moment was het 20 over 3 dus zo geschiede.
Vooraan in de rij stond mijn Tante te wachten en ze was de eerste die een krabbel kreeg, voor mij, en daarbij ook twee kaartjes voor de voorstelling die bij dit boek hoort. [die waren weggelegd voor de eerste 4 in de rij] Omdat mijn moeder zo blij was dat ik eindelijk eens thuis was nam mijn tante me niet mee naar de voorstelling. in plaats daarvan ging ze met haar man, mijn oom, en gek genoeg leek de voorstelling heel erg op dingen uit hun eigen leven, maar goed ik dwaal af.
Ik kreeg het boek, was erg blij al moet ik bekennen dat ik niet zo veel wist van Kasper van Kooten. Een boek is een boek dus ik begon te lezen. [Nadat ik het boek van Anna drijver uit had, Marije daar wil ik nog met je over praten!] Ik begon gisteravond en gezien ik deze recensie vandaag schrijf, las ik het deze namiddag uit.
Het verhaal gaat niet over Jackie Fontanel, zoals de titel misschien kan impliceren, al is hij wel de rode draad in het verhaal. Volgens mij noemt Kasper zijn boek zelf een reis, en ik kan je vertellen het is best een wonderlijke reis. [ha, ik typte het en toen bedacht ik me dat dat ook in de titel zit]
Het gaat over Klaas die van zijn opa, die altijd op de Holland-Amerika lijn voer, altijd verhalen hoorde over ene Jackie Fontanel. Wacht, laat ik even de samenvatting op het boek overschrijven.

Klaas leeft in het goede lichaam maar in de verkeerde tijd. Zo voelt het tenminste al jaren. Zijn avontuurlijke opa vaart in de roaring twenties mee op de Holland-Amerika Lijn. In New York raakt deze scheepsjongen verslingerd aan de opzwepende nieuwe wereld van jazz, dans en vaudeville.
Een halve eeuw later verhaalt hij zijn kleinzoon van een zekere Jackie Fontanel. Een sprookjesachtige legende. Na de dood van zijn grootvader - zijn beste vriend en grootste voorbeeld - probeert Klaas zijn opa's savoir-vivre te doorgronden. Hij trekt zijn sporen na en doet verbijsterende ontdekkingen.

Ik weet niet wat het precies is wat me zo aanspreekt in het boek, daarvoor moeten jullie het zelf maar lezen.  Het leuke aan dit boek is dat er dus ook een theatervoorstelling bij is gemaakt om het boek te versterken. Ik heb die niet gezien maar ik wil dat zeker nog gaan doen.
Ik vond het een geweldig boek, inspirerend zou ik zelfs zeggen. Daarnaast komen er veel leuke oude muzikale verwijzingen in voor en ik geef het daarom ook 5 sterren.


wauw wat een lang verhaal sorry.
joe

II


Het besef begint langzaam te komen dat dit mijn toekomst voorgoed zal veranderen. Mijn papa, vechtend en strijdend in zijn hoofd. Dit maakt mij uniek en zet mij opzij van anderen. Maar waarom ik? Waarom niet zij? Het beangstigt mij. Ik wil dit gevoel delen met een soortgelijke. Een soortgelijke in dezelfde situatie. Hij of zij op dezelfde stoel. Een medemens die jou volkomen snapt, zonder ook maar één woord uit te wisselen. Een persoon waaruit je kracht kan winnen, puur om dat diegene hetzelfde doormaakt. De wens om op dit moment een broer of zus te hebben is groot. Een leeg gevoel dringt binnen en ik draai mijn hoofd naar links. Ik zit aan de ene kant van het bed. Mama zit aan de andere kant. In ons midden een dierbare, in een witte kamer, liggend op een wit bekleed bed. Mijn rode teddybeer als kado, breekt het wit. Het schone, reine, en vredige wit. Het wit van blijdschap, en van bruiloften. Ik staar naar papa. Het wit. Ook het wit van kou, van onschuld, en van rouw.

dinsdag 6 december 2011

Berend botje ging uit varen

Ze kon wel oceanen vullen met de tranen die ze huilde. Ze dacht dat ik het niet zag, maar niets was minder waar. Een paar keer heb ik je proberen te laten praten, maar je weigerde. Telkens als ik een steen uit je onbeklimbare toren - met slotgracht en krokodillen - haalde, plaatste je er meteen vier bij. Ik heb altijd al in je toren willen kijken. De krokodillen met mijn lef en liefde verslaan. Mijn spierballen waren vergelijkbaar met satestokjes, helaas.
Misschien liet ik je de oceaan wel vullen met je tranen, dan konden we samen een bootje kopen en je eigen tranenzee bevaren. Je zou verscholen in mijn armen kunnen zitten, kijkend naar alle slechte herinneringen die je tranen hebben meegevoerd naar de grote boze tranenzee. Je zou lachen naar elke herinnering die je ooit pijn heeft gedaan. De herinneringen zouden hulpeloos toekijken vanuit de golven, smekend om een plekje in je gedachten. Zwaaiend naar al die drenkelingen zouden we verder varen. Eenmaal aan land gekomen zou je een stap zetten. Een reis van duizend kilometer begon met een stap. Die stap zou je zetten terwijl ik zachtjes in je hand kneep. We zouden samen stappen zetten naar je toren, waar je de krokodillen zou weghalen met een glimp van je glimlach. De brug zou over de slotgracht vallen, als toegang tot je toren.

___________________
Het is niet zo lang. Daarom sluit ik af met een elfje. Twee.

druppels,
letters werden
onleesbaar. de inkt
vervaagde, net als de
herinnering


ze
wilde dat
niemand haar verdriet
zag, zo was ze
kogelvrij